Kerkelijke begraafplaatsen nog steeds maatschappelijk noodzakelijk
Geschreven door Vkb Datum: 15-10-2008
Op de workshop over kerkelijke begraafplaatsen hield de
heer mr. W.G.H.M. van der Putten een inleiding, waarna
er onder leiding van de heer drs. J. la Croix een gedachtewisseling
plaatsvond. De heer R.M. Belder maakte het
verslag.
De heer Van der Putten is directeur van de Stichting
Grafzorg Nederland en parttime juridisch adviseur. Hij is
o.a. auteur van het Handboek Wet op de Lijkbezorging,
het Thematisch Handboek Lijkbezorging en was een
aantal jaren voorzitter van de Landelijke Organisatie van
Begraafplaatsen (LOB).
Workshop 3, VKB-congres 19 april 2008
De heer Van der Putten behandelde een tweetal onderwerpen,
namelijk de wijzigingsvoorstellen van de Wet op
de lijkbezorging (Wlb) en de problematiek die nog veel
houders van begraafplaatsen bezighoudt: hoe om te
gaan met ‘eeuwigdurende’ grafrechten
1. Wijzigingsvoorstellen Wlb
De heer Van der Putten deelde mee dat in september
2006 een voorstel tot wijziging van de Wlb bij de Tweede
Kamer was ingediend, die het vervolg was van een
evaluatie van de wet waarvan de laatste wijziging in
1991 is ingevoerd. De aanvankelijke wet dateert uit 1870.
In een periode van ruim 100 jaar verandert er weinig in
de wet omdat “doodgaan en begraven” van alle tijden is.
Er liggen wel wat andere accenten, maar de kern is
nagenoeg ongewijzigd.
Begrip ‘algemeen graf’
In de huidige Wlb komt het begrip ‘algemeen graf’ niet
voor. Men wil het introduceren om ook voor mensen
buiten de begraafplaatsenwereld duidelijk te maken dat
er twee typen graven zijn.
Graf met uitsluitend recht wordt particulier graf
Begin april 2008 is een aanvullend voorstel gedaan om
het begrip ‘graf met een uitsluitend recht’ ook wel in de
volksmond ‘eigen graf’ genoemd, te veranderen in:
particulier graf. Met deze benaming is de heer Van der
Putten niet zo gelukkig, omdat bijna iedereen, wanneer
men een graf bedoelt waarop een uitsluitend recht is
gevestigd, spreekt over de term ‘eigen graf’. Alleen om
die reden zou men straks zijn reglement moeten veranderen.
Registratienummer
In artikel 8 Wlb is vermeld dat op de kist of op een ander
omhulsel van het lijk een registratienummer wordt
vermeld. Van het document dat met de kist wordt
aangeleverd, moet worden vastgesteld dat het ook
werkelijk bij het stoffelijke overschot hoort. Dit docu-
Kerkelijke begraafplaatsen nog steeds
maatschappelijk noodzakelijk
Workshop 3, VKB-congres 19 april 2008
ment moet ook de namen en geboorte- en sterfdatum
van de overledene vermelden.
Verlenging uitgiftetermijn
Artikel 28 lid 1 Wlb bepaalt dat een bestaand graf voor
maximaal 10 jaar verlengd mag worden. De wetgever wil
deze termijn verlengen naar 20 jaar, maar het is geen
verplichting. Een begraafplaatshouder mag de termijn
ook op 10 jaar houden, maar er komt ook een ondergrens
van tenminste 5 jaar.
Rechthebbende
Artikel 28 lid 2 Wlb bepaalt dat de houder van de
begraafplaats de rechthebbende binnen een bepaalde
termijn moet benaderen. In de toekomst zal de begraafplaatshouder
minder moeite behoeven te doen om het
actuele adres van een rechthebbende te achterhalen. De
rechthebbende heeft een grotere eigen verantwoordelijkheid
om zijn actuele adres door te geven.
Kennelijke verwaarlozing
De huidige verwaarlozingregeling wordt verfijnd. De
houder kan zich niet op verwaarlozing beroepen als hij
er zelf verantwoordelijk voor was. Nadat de verwaarlozing
is geconstateerd krijgt de rechthebbende een
termijn van één jaar om in het onderhoud van het graf te
voorzien. Wanneer rechthebbende de ontvangst van de
waarschuwing niet bevestigt, krijgt hij 5 jaar de tijd.
Burgerlijke ongehoorzaamheid wordt zo beloond, zo
stelt de heer Van der Putten. Het is de bedoeling dat er
nog een overgangsartikel komt voor ‘lopende’ verwaarlozingen.
Opgraving en herbegraving
Artikel 29 Wlb bepaalt dat er bij opgraving steeds een
vergunning nodig is van de burgemeester in de betreffende
gemeente. Het huidige wetsvoorstel wil dit
beperken tot de eerste 10 jaar na de begraving. Na die
periode kan zonder toestemming worden opgegraven en
herbegraven. De heer Van der Putten vindt dit geen
verstandige zaak omdat andere nabestaanden dan geen
rechtsbescherming hebben, terwijl ook de wens van de
overledene in het geding kan komen. Alleen als wordt
opgegraven en gecremeerd binnen 1 jaar na de begraving
is nog verlof van de Officier van Justitie nodig.
Ruiming van graven
Het voornemen van ruiming, zoals dat in artikel 31 Wlb
geregeld is, hoeft in het vervolg niet meer te worden
gemeld aan de VROM-inspectie.
Aanleg of uitbreiding bijzondere begraafplaats
Lid 3 van artikel 40 Wlb bepaalt nu dat bij aanleggen of
uitbreiden van een bijzondere begraafplaats een advies
van de VROM-inspectie vereist is. Dit voorgeschreven
advies vervalt.
Juridisch eigenaar van de grafsteen
De heer Van der Putten deelt mee dat in het aanvullende
wetsvoorstel van april 2008 is voorgesteld om, zolang een
graf niet geruimd mag worden, de natrekkingsregel van
het Burgerlijk Wetboek op te heffen. Na plaatsing van de
grafsteen is de begraafplaatshouder juridisch eigenaar
van de grafsteen. Het nieuwe voorstel doorkruist deze
hoofdregel uit het recht, zolang het graf niet geruimd
mag worden. Op het eerste gezicht lijkt dit voorstel
aantrekkelijk, maar dat is slechts oppervlakkig, want de
positie van slachtoffers, mensen die schade hebben
geleden, wordt verslechterd. Zij weten immers niet wie
dan de rechthebbende eigenaar van de steen is, bij wie
zij hun schade kunnen verhalen.
Nu is de situatie zo dat de houder van de begraafplaats
aansprakelijk is, die deze aansprakelijkheid weer kan
afwentelen op de rechthebbende, omdat de begraafplaatshouder
deze rechthebbende wel kent. Dat is een
prikkel om de administratie actueel te houden en die
prikkel vervalt dan. De heer Van der Putten is van mening
dat ook onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de
steen als het grafrecht vervallen is. Hij adviseert dan
steeds de begraafplaats aansprakelijk te stellen wanneer
er geen rechthebbende bekend zou zijn.
Ruiming van de asbus
Voor houders van begraafplaatsen die asbussen bewaren,
zoals geregeld in artikel 66 Wlb, is ook van belang te
weten dat de huidige termijn van ruiming van een asbus
van 20 jaar wordt verkort naar 10 jaar.
Uiterste termijn van begraven
Nu is de situatie zo dat een overledene moet worden
begraven of gecremeerd op uiterlijk de 5e dag na de dag
van overlijden. In het wetsvoorstel wordt, als de 5e dag
op een zondag of feestdag valt, de termijn verlengd tot
de eerstvolgende werkdag.
Verlenging grafrusttermijn
De heer Van der Putten deelt mee dat het hem bekend is
dat bij de evaluatie van de Wlb de toenmalige Vereniging
van Kerkvoogdijen in 1999 voorgesteld had de
termijn van grafrust, dus de termijn waarbinnen een graf
niet geruimd mag worden, te wijzigen van 10 in 15 jaar.
Dat voorstel is door de regering niet overgenomen.
Plaatselijke regeling
De heer Van der Putten sluit de behandeling van zijn
eerste onderwerp af door te stellen dat de Wlb nauwelijks
voorschriften geeft waaraan het begraven dient te
voldoen. Dat komt omdat de wetgever er van uit gaat
dat de houder van een begraafplaats zelf regels vaststelt.
Een plaatselijk beheersreglement, dat de basis vormt voor
een goed beheer, is dan ook onmisbaar. Houders van
begraafplaatsen, de bestuurders, maar vooral ook hun
nabestaanden weten daarmee wat van hen verwacht
wordt en waaraan ze gehouden zijn.
2. Eeuwigdurende rechten
De heer Van der Putten herinnert er aan dat in vroeger
tijden veelvuldig graven voor onbepaalde tijd werden
uitgegeven. Verschillende colleges van kerkrentmeesters
worden nu geconfronteerd met de gevolgen van deze
‘eeuwigdurende’ rechten. Vaak heeft men plannen om te
ruimen, maar men beschikt niet meer over adresgegevens
van rechthebbenden. Er is meestal geen oud beheersreglement
meer beschikbaar waarin de toenmalige rechten
en plichten zijn vastgelegd.
De veel voorkomende vraag die dan gesteld wordt is
“Hoe moeten we als college van kerkrentmeesters
hiermee omgaan om te voorkomen dat het van onzorgvuldig
handelen wordt beschuldigd”.
Reglement en oude stukken bewaren
Eeuwigdurende rechten, bestaan niet, zo stelde de heer
Van der Putten. Het zijn graven die voor onbepaalde tijd
zijn uitgegeven. Dat betekent dat er omstandigheden of
feiten kunnen zijn waardoor het grafrecht kan eindigen.
Voor die feiten en omstandigheden moet altijd eerst
worden gekeken naar het reglement waaronder de akte
waarmee het grafrecht is uitgegeven. Soms waren daarin
bepalingen opgenomen als dat het recht zou komen te
vervallen als het niet binnen een jaar na het overlijden
van de rechthebbende op een ander was overgeschreven.
Dat kan ook in de akte staan. Soms was er geen apart
beheersreglement, maar wel een soort financiële regeling
waarin dit ook vermeld stond.
Maar wat nu wanneer er geen oude documenten meer
beschikbaar zijn? Dan heeft het college van kerkrentmeesters
ook geen regeling in handen waarop het zich
kan beroepen dat de rechten kunnen vervallen. Men
moet altijd oude versies van reglementen en akten
bewaren.
Grafrecht is een zakelijk recht
Wat gebeurt als er geen rechthebbende meer is? Kan
men dan de rechten niet vervallen verklaren? De heer
Van der Putten deelde mee dat dit niet kan, want het
recht rust op de zaak en is niet afhankelijk van de vraag
of er nog een persoon is die het recht in handen heeft.
Het grafrecht is dan ook een zakelijk gebruiksrecht.
Feitelijk is het wel zo dat als er niemand is die voor het
graf opkomt, er in feite weinig argumenten voor de
houder van de begraafplaats zijn hem te weerhouden om
zo’n graf te ruimen. Maar een integere houder van een
begraafplaats weet dat hij zo niet mag denken en
handelen. Hij zal moeten wachten tot de verwaarlozingregel
van artikel 28 Wlb kan worden ingeroepen, zo
besloot de heer Van der Putten zijn.
Gedachtewisseling
Na deze inleiding van de heer Van der Putten, werd
onder leiding van de heer La Croix een gedachtewisseling
gehouden, waarbij de volgende vragen werden gesteld.
Vraag: De naam van onze gemeente is gewijzigd van
hervormde gemeente in protestantse gemeente. Moeten
we nu de rechthebbenden daarvan formeel op de hoogte
stellen?
Antwoord: Neen, dat is niet nodig. De nieuwe rechtspersoon
neemt de rechten en plichten van de vorige rechtspersoon
over. Wel is het van belang om o.a. het plaatselijk
reglement en andere daarmee in verband staande
stukken aan de gewijzigde tenaamstelling aan te passen.
Vraag: Er worden in onze gemeente nu graven uitgegeven
tegen andere condities dan voorheen, toen graven
voor onbepaalde tijd werden uitgegeven en waarvoor
éénmalig een bedrag werd betaald. Kunnen we rechthebbenden
verzoeken om voor deze graven jaarlijks een
onderhoudsbijdrage te gaan betalen?
Antwoord: Indien dit niet nadrukkelijk is overeengekomen,
kan men afspraken niet éénzijdig veranderen.
Wanneer het reglement verandert, dan geldt dat voor
iedereen, behalve dat verkregen rechten niet éénzijdig
mogen worden ingetrokken. Wel kan men op grond van
goede argumenten vragen aan rechthebbenden of zij
bereid zijn jaarlijks een onderhoudsbijdrage te betalen.
Immers zij zullen vaak begrip hebben voor de situatie dat
van een geringe afkoopsom van vele tientallen jaren
geleden het huidige onderhoud niet betaald kan worden.
Maar formeel hebbende rechthebbenden deze
verplichting niet.
Vraag: Kunnen grafbewijzen worden overgedragen en
wat heeft dat voor consequenties?
Antwoord: Het is algemeen gebruikelijk dat na het
overlijden van een rechthebbende het recht wordt
overgeschreven op naam van een andere rechthebbende.
Deze overschrijding van verleende rechten moet in het
reglement vastgelegd zijn. Belangrijk is dat het aantal
rechthebbenden beperkt wordt tot één persoon, want
daarmee kan de eigenaar van de begraafplaats gemakkelijker
zaken doen dan wanneer men met meerdere
rechthebbenden te maken heeft.
Vraag: Wat zijn voor- en nadelen om de begraafplaats in
een stichting onder te brengen? Het onderbrengen in
een stichting zou een grotere kans op subsidie opleveren.
Antwoord: Hieraan zijn juridisch gezien geen voor- en
nadelen verbonden. Bestuurlijk kan het eenvoudiger zijn.
Colleges van kerkrentmeesters die overwegen om de
begraafplaats in een stichting onder te brengen wordt in
overweging gegeven hiervoor de brochure van de VKB
“De begraafplaats in eigen beheer houden, of overdragen”
te lezen.
Om in aanmerking te komen voor een eventuele subsidie,
heeft de stichtingsvorm geen enkel voordeel.
Opmerking: Graven waren eeuwigdurend uitgegeven,
terwijl het onderhoud destijds was afgekocht. Met
rechthebbenden zijn contacten geweest over de vraag of
men bereid is op basis van coulanceoverwegingen weer
een bijdrage voor het onderhoud te gaan betalen. Veel
rechthebbenden hebben hierop positief gereageerd, met
als gevolg dat wederzijds besloten is het “eeuwigdurend
recht” om te zetten in een recht voor bepaalde tijd van
10 of 15 jaar.
Reactie: Dit is een prima aanpak. Wanneer men met
mensen over de kosten spreekt, dan is het voor iedereen
duidelijk dat er geld nodig is om de begraafplaats te
exploiteren.
Vraag: De begraafplaats is 25 jaar geleden gesloten en nu
wordt overwogen om de begraafplaats te gaan heropenen,
om extra inkomsten te genereren. Welke procedure
moet er gevolgd worden?
Antwoord: Het is de vraag of de begraafplaats daadwerkelijk
is gesloten zoals in artikel 43 van de Wet op de
lijkbezorging is geregeld. Vaak is dat niet het geval, maar
is op een gegeven moment afgesproken dat er niet meer
begraven wordt. Volgens dit artikel 43 is de kerkelijke begraafplaats bevoegd de begraafplaats te sluiten onder
gelijktijdige mededeling aan burgemeester en wethouders.
Vraag: Moet er in het kader van het Jaar voor het
religieus cultureel erfgoed rekening worden gehouden
met grafstenen die als monument kunnen worden
aangemerkt?
Antwoord: Dat is niet primair een zorg voor de begraafplaats,
maar veeleer voor de burgerlijke gemeente die
het monumentenbeleid moet uitvoeren.
Opmerking: Om de begraafplaats in een stichtingsvorm
om te zetten, is het verstandig dat men zich realiseert dat
mogelijke fiscale voordelen kunnen vervallen.
Antwoord: Dat kan zeker het geval zijn. In dit verband
wordt opgemerkt dat het zeer merkwaardig is dat met
name christelijke partijen (CDA en CU) het tolereren dat
begrafeniskosten e.d. straks niet meer aftrekbaar zijn.
Vraag: Moet een kerkelijke gemeente die een begraafplaats
heeft, altijd over een reglement beschikken?
Antwoord: Zonder reglement kan men eigenlijk niet,
want er zijn allerlei redenen om zaken, die zich in de
dagelijkse praktijk voordoen en waarin de Wet op de
lijkbezorging niet voorziet, in het reglement op te
nemen. Er zijn eigenlijk drie pijlers waarop een goed
beleid ten aanzien van de kerkelijke begraafplaats rust,
namelijk: een actueel reglement, een goed ingerichte
administratie en tarieven die marktconform zijn.
Vraag: Wanneer houdt de status van een begraafplaats
op?
Antwoord: Na de sluiting, zoals die hiervoor is beantwoord,
zijn er in artikel 46 van de Wet op de lijkbezorging
voorwaarden gesteld over het gebruik van de grond
van de gesloten begraafplaats. Artikel 47 bepaalt dat een
begraafplaats ophoudt begraafplaats te zijn indien de
grond die bestemming heeft verloren en, hetzij zich
daarin geen graf meer bevindt, hetzij 50 jaren na de
sluiting zijn verlopen.
Vraag: Is het verstandig om de tarieven in het reglement
op te nemen?
Antwoord: Het is praktischer om deze tarieven in een
afzonderlijke bijlage bij het reglement te voegen. Deze
tarieven worden soms jaarlijks geïndexeerd en dan
behoeft niet het gehele reglement te worden gewijzigd.
Vraag: Kan men van eeuwigdurend onderhoud afkomen?
Antwoord: De begraafplaats moet haar afspraken
nakomen. Het grafrecht is een zakelijk recht. Ook al zijn
er geen rechthebbenden meer, dan blijft het recht
bestaan.
Vraag: Kan de begraafplaats grafmonumenten verwijderen?
Antwoord: Deze bevoegdheid heeft de begraafplaats
niet zonder meer. Hiervoor zijn afspraken die, wanneer
het goed is, in het reglement zijn opgenomen. Het
grafmonument is immers van de familie.
Alleen in geval van risicoaansprakelijkheid, waarover een
aantal jaren geleden de Hoge Raad een uitspraak heeft
gedaan, kan de eigenaar van de begraafplaats aansprakelijk
zijn.
Tenslotte bedankte de heer La Croix de heer Van der
Putten voor zijn boeiende inleiding en het beantwoorden
van de vragen.