Monumentale kerkinterieurs in gevaar?
Geschreven door S. ten Hoeve Datum: 15-3-2009
De provincie Friesland telt ruim 600 kerkgebouwen. Daarvan staan er 330 op de rijksmonumentenlijst. Een groot deel daarvan heeft een historisch waardevol en soms zeer waardevol interieur.
Bij en na de
Reformatie in 1580 verdween
welhaast alles op het gebied van
middeleeuwse kerkinrichting. De
kerkgebouwen kregen een karakteristieke,
vooral op de woordverkondiging
gerichte, typisch protestantse
inrichting: een preekstoel en een
doophek tegen de zuidmuur en daar
omheen vrouwenbanken aan de
zuidzijde, mannenbanken aan de
noordzijde en tegenover de preekstoel
een herenbank of meer van
zulke banken. De voornaamheid van
de eikenhouten kerkmeubels werd
gecombineerd met de kleurrijke
gebrandschilderde wapenglazen en
rouwborden en -kassen met veel
verguldsel en heraldiek. Kroonlichters
en ander glimmend koperwerk
zorgden voor verlevendiging van de
stemmige interieurs.
Nergens anders dan in Friesland
ontstonden in Nederland zoveel van
deze interieurs met (en dat is een
opvallend fenomeen) dikwijls zeer
rijk gebeeldhouwde preekstoelen
met allegorische en bijbelse voorstellingen.
Niet voor niets zijn de
preekstoelen als die in de kerken van
Bolsward, Koudum, Sexbierum en St.
Annaparochie beroemd en zijn deze
in vele kunstboeken en reisgidsen
afgebeeld. Hoe belangrijk de
afzonderlijke onderdelen van kerkinterieurs
soms ook zijn, hun ensemblewaarde
is dikwijls nog oneindig
veel groter.
Voor deze cultuurhistorisch belangrijke
en waardevolle kerkinterieurs
dreigt gevaar. Enerzijds is er binnen
de kerkelijke gemeenschappen
behoefte aan meer ‘speelruimte’
tijdens de kerkdiensten. Anderzijds
wil men de aan functieverlies
lijdende kerkgebouwen multifunctioneel maken door er flexibel
meubilair in te plaatsen. Het gevolg
is dat daarom herenbanken en
grafzerken worden verplaatst,
doophekken worden verwijderd en
vaste oude banken voor nieuwe
stoelen worden ingeruild.
Het is echter ook mogelijk de
wensen op het gebied van eigentijds
kerkgebruik te vervullen met
behoud van monumentale waarden.
“Monumentenzorg” (lees: de
Rijksdienst voor Archeologie,
Cultuurlandschap en Monumenten,
RACM) denkt en werkt hierin mee,
evenals andere instanties op het
gebied van monumentenbehoud.
Toch gaat het soms zomaar mis.
Voorbeelden
In 2007 is het zeer monumentale
interieur van het eenvoudige kerkje
van Garijp ontluisterd. Het had een
zeer gave, karakteristieke en een
bijzonder statige inrichting, grotendeels
uit 1782. Daarvan restten nu
nog de preekstoel en een 17deeeuwse
herenbank. Het doophek
werd verwijderd en de kerkbanken
staan nu in huizen en tuinen in
Garijp. Toestemming voor de
wijzigingen aan het op de monumentenlijst
staande interieur werd
niet gevraagd bij overheden en
kerkelijke instanties. Dat gebeurde
ook niet voor wijzigingen aan het
interieur van de kerk van Haskerhorne,
die onlangs leeg werd
gesloopt. Toestemming werd wel
verkregen voor veranderingen in de
kerk van Hantum en wijzigingen aan
de doopsgezinde kerk van Drachten,
maar die leidden tot aantasting van
de monumentale interieurs.
Plannen
Er worden nu onder andere herinrichtingsplannen
voorbereid voor
kerken in Huins, Huizum (met
16de-eeuwse preekstoel en banken),
Rauwerd en Wieuwerd. Ook voor de
kerk van Wommels met zijn zeer
gave interieur is de aanpak van het
‘bankenpaleis’ aangekondigd. Het is
te hopen dat dit met grote zorgvuldigheid
gebeurt en in goed overleg
tussen gebruikers, monumentendeskundigen
en architecten. Meegaande
met de waan van de dag kan
immers grote schade worden
aangericht. Voor het behoedzaam
omgaan met kerkinterieurs valt
lering te trekken uit voorbeelden uit
het verleden. Recent zijn de kerken
van Marrum en St. Nicolaasga
ontdaan van hun ‘gezellige’ gelakte
schrootjesbetimmeringen uit de
zeventiger jaren van de vorige eeuw.
Ze kregen weer een stijlvolle
inrichting.
Lering valt er zeker ook te trekken
uit de gang van zaken in veel
rooms-katholieke kerken, die in de
zestiger jaren van de vorige eeuw
‘eigentijds’ moesten worden ingericht
en waarvoor men zich nu
dikwijls sterk inspant om toen
verloren gegane luister terug te
brengen.
Uitverkoop?
In de 19de eeuw zijn er veel kunstschatten
uit Friese kerken verkocht,
maar ook in de 21ste eeuw worden
ze, ondanks hun plaats op de
monumentenlijst, nog verhandeld.
Dat geldt zeker voor bijbels en
vooral kerkzilver als avondmaal- en
doopgerei, maar ook voor andere
objecten. Onlangs hingen de uit
1728 daterende koperen kroonluchters
uit de kerk van Balk te koop op
een antiekbeurs in ’s-Hertogenbosch.
Voor de twaalfarmige kerkkroon en
vier zesarmige kroontjes zijn
namaakexemplaren in de plaats
gekomen.
Veranderingen
De kerkinterieurs ondergingen na de
Reformatie een ingrijpende verandering
en daarna zijn ze nooit statisch
geweest. Verval en slijtage leidden
tot vernieuwing, evenals zich
wijzigende stijlopvattingen en
veranderende wensen op het gebied van liturgie en comfort.
In de 19de eeuw werd in menig
kerkgebouw de preekstoel verplaatst
naar de oostzijde en werd
het met banken volgepropte
gebouw een gehoorzaal (Koudum).
In het begin van de 20ste eeuw,
maar later ook nog wel, werden
kerkgebouwen onder invloed van de
materiaalromantiek ontpleisterd
(Hoorn-T en Oldeberkoop). De
liturgische beweging bracht in en na
de Tweede Wereldoorlog nieuwe op
het koor gerichte inrichtingen mee
(Augustinusga, Bolsward, Franeker,
Workum, Jorwert). In de anti-autoritaire
zestiger en zeventiger jaren
moesten kerken ‘gezellig’ en vrolijk
worden ingericht (Heeg-gereformeerd,
Tzummarum en Winsum).
De veranderingen weerspiegelen de
geschiedenis en geven de kerkinterieurs
hun eigen en unieke karakter.
Veranderingen moeten nu ook
plaats kunnen vinden, maar vanuit
een historisch besef, met respect,
smaak en met behoud van wat,
religieus en historisch gezien
waardevol is.
Bezinningsplaatsen
De kerkgebouwen en hun interieurs
zijn veel mensen dierbaar, juist
vanwege hun gewijde en historische
karakter. Als we ze dat karakter
ontnemen en ze deformeren tot
karakterloze multifunctionele
centra, zullen velen niet meer de
behoefte hebben kerken te bezoeken
en er zich voor in te zetten. Het
kind is dan met het badwater
weggegooid.
Op kerkleden en kerkbesturen,
bovenplaatselijke kerkelijke instanties,
organisaties op het gebied van
monumentenbehoud en overheden
rust een grote verantwoordelijkheid
voor het religieus erfgoed, dat
kerkinterieurs zijn. Niet als doel in
zichzelf, maar om ze te behouden
als plaatsen voor bezinning, voor het
beleven van schoonheid of als
plaatsen voor het voelen van de
band met het verleden.
De heer Ten Hoeve is oud-museumdirecteur
en deskundige op het
gebied van kerkgebouwen.