Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de PKN (VKB)
Kerk C
Kerk B
Kerk ABCD
Login


Wachtwoord vergeten
Auto inloggen
Spanning in het protestantse k...
Spanning in het protestantse kerkinterieur
Geschreven door R.M. Belder   Datum: 15-1-2010


Op zaterdag 21 november 2009 werd in de Geertekerk te Utrecht een symposium gehouden met als titel “Spanning in het protestantse kerkinterieur – De protestantse kerken als cultuurdragers van Nederland”. Het doel van dit symposium was het aanbieden van theoretische en praktische achtergrondkennis aan kerkrentmeesters, zodat zij hun verantwoordelijke werk, gericht en met kennis van zaken kunnen verrichten.

In de afgelopen dertig jaar is er veel onderzoek geweest naar het protestantse kerkinterieur. In het ochtendprogramma werden de resultaten van deze onderzoeken gepresenteerd. ’s Middags werden verschillende oplossingen van nieuw gebruik getoond en werd er gediscussieerd. Het symposium was o.m. bestemd voor kerkrentmeesters, predikanten, beleidsmakers, historische commissies en vrijwilligers die in de kerken werkzaam zijn.

Het organiserend comité bestond uit de Stichting Protestants Kerkelijk Kunstbezit (SPKK), de Vereniging van Beheerders van Monumentale Kerkgebouwen in Nederland (VBMK), de Rijksuniversiteit Groningen, het Instituut voor Christelijk Cultureel Erfgoed (ICCE), het Museum Catharijneconvent in Utrecht en de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland (SKKN).

Onder leiding van de dagvoorzitter, de heer P.G. Breukink, o.m. directeur van de Stichting Oude Groninger Kerken, waren zeven inleiders in de gelegenheid vanuit hun eigen achtergrond aandacht te vragen voor het protestantse kerkinterieur en de relatie met het kerkgebouw, het ensemble, waarover menig inleider sprak. Na de inleidingen was er gelegenheid over deze inleidingen te discussiëren en daaraan een stelling te verbinden.
1. Het protestants kerkinterieur, roerend kerkelijk erfgoed, lessen voor nu
Ds. R. Soeters, predikant in de christelijk-gereformeerde kerk en voorzitter van de SPKK, wees er in zijn toespraak op dat ook de protestanten waardering hebben voor kunst en cultuur, zij het dat dit wel gezien wordt vanuit de protestantse traditie.
De vraag is of er nog gesproken kan worden van blijvende waarde, want de zorgen voor het protestants kunstbezit zijn groot. Het is zeer terecht dat zowel SKKN als VBMK hiervoor aandacht vragen. Hij noemt als voorbeeld de situatie in de protestantse gemeente van Leeuwarden waar de kerkenraad onlangs besloten heeft dat de komende jaren 4 van de 7 kerkgebouwen gesloten worden. Kerkrentmeesters weten als geen ander wat het ledenverlies betekent in het kader van de exploitatie van de gemeente en wat de gevolgen daarvan zijn voor de kerkelijke kunst. De overheden zijn over de gehele linie bezien veel terughoudender geworden. Het programma van dit symposium biedt dan ook boeiende onderzoeksresultaten en veel praktische zaken waarmee de kerkrentmeesters en andere beheerders van kerkgebouwen hun voordeel kunnen doen, aldus ds. Soeters.

Stelling: Meer nadenken over nevengebruik
Geconstateerd werd dat het interieur van oude monumentale kerken vaak een “sta in de weg’ is wanneer er plannen worden gemaakt om te komen tot een multifunctioneel gebruik. De vraag rijst dan o.m. wat de maatschappelijke functie van het kerkgebouw in de samenleving is. Meegedeeld werd o.a. dat de provincie Gelderland bereid is investeren in meervoudig gebruik van de kerken. De grote vraag, die een spanningsveld oplevert, is waar het primaire belang ligt. Eerst moet ervoor gezorgd worden elkaar te vinden en vervolgens moet men plannen maken. Dat levert de beste resultaten op.
2. Kerkgebouw, kerkinrichting en kerkgebruik
Dr. J. Kroesen, docent en wetenschappelijk onderzoeker van de Universiteit van Groningen, legde in zijn inleiding het accent op de inrichting van kerkgebouwen. De reden dat kerkinrichting onderwerp van wetenschappelijke studie moet zijn, houdt verband met het feit dat de kunstgeschiedenis van Nederland voor meer dan de helft gebaseerd is op kerkelijk cultureel erfgoed. De eerste wetenschappelijke studie waarin het protestantse kerkinterieur in Nederland in de volle breedte is bestudeerd, is het boek van K. van Swighem, T. Brouwer en W. van Os uit 1984 “Een huis voor het Woord”. Een jaar daarvoor had dr. R. Steensma over de vaak ingrijpende veranderingen van het kerkinterieur al een belangrijke studie geschreven, getiteld “Opdat de Ruimten meevieren”. Dr. Kroesen besprak achtereenvolgens een aantal belangrijke monografische studies over de interieurs van bepaalde kerken (De Grote of St. Bavokerk van Haarlem behoort door haar rijke interieur uit de middeleeuwen en de protestantse tijd tot de meest waardevolle van heel Nederland). Vervolgens besprak hij enkele studies die de kennis van de vorm en functie van het liturgisch meubilair “Een huis voor het Woord” verder hebben verdiept. Voorts besteedde hij aandacht aan het burgerlijk adellijk aspect: herenbanken, epitafen/rouwborden en grafmonumenten en een herontdekking van het middeleeuwse, dus katholieke, verleden van een groot aantal van deze kerken.

Dr. Kroesen concludeerde dat de toekomst voor het protestantse kerkinterieur niet onbedreigd is. Secularisatie en kerkverlating hebben de druk op kerkinterieurs in de afgelopen jaren vergroot. Maar ook binnen de kerk zelf liggen soms onverhoede gevaren op de loer. Met het oog op een flexibeler gebruik van de ruimte en met een beroep op het motto “het interieur is in de loop van de geschiedenis voortdurend veranderd” zijn veel kerkinterieurs de laatste decennia grondig op de schop gegaan of bestaan er plannen om dat in de nabije toekomst te doen. Maar soms is het goed om ter wille van de historische betekenis en de bijzondere sfeer bereid te zijn op het vlak van de flexibiliteit een klein offer te brengen, aldus dr. Kroesen.

Stelling: Meer wetenschappelijk onderzoek door kunsthistorici en wetenschappers dan een stijging van de publieke waardering.
De aanwezigen gaven er blijk van dat wetenschappelijk onderzoek van belang is, maar ook is het belangrijk een breder draagvlak te creëren zodat het protestants kerkelijk kunstbezit op een zo groot mogelijke belangstelling kan rekenen.
3. Wat leren historische bronnen over veranderingen in gebruik van kerkgebouwen?
Dr. A. de Groot, die promoveerde op het onderzoek naar de inrichting en het gebruik van de Domkerk in Utrecht in de 16e eeuw, wees op het grote nut van de historische bronnen. Zonder deze kennis mist men de ontstaansgeschiedenis van het gebouw. Als voorbeeld noemde hij de Geertekerk die uit circa 1255-1259 dateert. Het gebouw was het eerste slachtoffer van de Beeldenstorm (1566). In 1621 bleek een grote restauratie van de Geertekerk noodzakelijk. Het gebouw is niet altijd als kerk in gebruik geweest. Van 1794 tot 1804 werd de kerk gebruikt als onderdak van het Franse bezettingsleger en in 1855 bood de kerk tijdelijke huisvesting aan ruim vierhonderd inwoners uit Veenendaal, die als gevolg van een dijkdoorbraak uit hun huizen verdreven werden. De Geertekerk die in de jaren dertig van de vorige eeuw tot een ruïne was geworden, is tenslotte in de jaren vijftig herbouwd en in 1956 werd de kerk voor de eredienst in gebruik genomen door de Remonstrantse gemeente van Utrecht. Alleen het orgel en de preekstoel, die van andere kerken afkomstig zijn, zijn monumentale onderdelen.

Verder stond dr. De Groot stil bij De Domkerk van Utrecht, die destijds de Bisschopskerk was. Tijdens een tornado op 1 augustus 1674 stortte het schip van de kerk in. De ruïnes van het middenschip bleven liggen tot in de negentiende eeuw. Na de Franse tijd is de Domkerk aan de hervormde gemeente overgedragen en in 1867 deed ds. Abraham Kuiper er intrede. In de jaren 1922-1925 werd de Domkerk opnieuw ingericht en in 1986 is de kerk voor het laatst gerestaureerd.
Wereldlijk gebruik was naast kerkelijk gebruik heel normaal, zo stelde dr. De Groot. Als voorbeeld noemde hij de situatie in de hervormde kerk Beets (NH), waar tot aan de fusie van de nieuwe gemeente Zeevang de kerkenraad en de gemeenteraad naast elkaar in de kerk vergaderden, zo besloot dr. De Groot zijn inleiding.

Stelling: Verandering van het protestants kerkinterieur is alleen verantwoord wanneer de bronnen als leidraad worden gebruikt.
De aanwezigen waren het hier over eens. Men zal steeds op een creatieve manier met deze zaken moeten omgaan. Ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zal hierover een heldere visie moeten geven.
4. Conclusies na 30 jaar inventariseren
Vervolgens kreeg de directeur van de SKKN, drs. M. van der Sterre, de gelegenheid om te spreken over zijn conclusies na 30 jaar inventarisatiewerk. Tot zijn teleurstelling wordt in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, in tegenstelling tot de vroegere kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk, bijna niet gesproken over de zorg voor het kerkelijk niet-museaal kunstbezit. Dat heeft te maken met de grote onbekendheid, of misschien onderwaardering, die in de Protestantse Kerk in Nederland aanwezig is, terwijl zij juist over zoveel kerkelijke kunst beschikt. Voorbeelden hiervan zijn naast de orgels, de preekstoelen, koor- en doophekken, avondmaalszilver, doopvonten, rouwborden, e.d. In de hervormde kerk van Akersloot schijnt nog een vlag te zijn, maar waar zijn die vlaggen in andere kerken gebleven? Het kunstbezit gaat in steeds meer kerken een grotere rol spelen, want in steeds meer protestantse kerken wordt de liturgie zodanig aangepast dat die veel trekken vertoont van de eucharistieviering in een rooms-katholieke kerk. De heer Van der Sterre wees de kerkrentmeesters erop dat zij behoren te weten wat de waarde is van het kerkinterieur dat aan hun is toevertrouwd. Laat u zich goed voorlichten over het kerkhistorische belang.

Vervolgens toonde de heer Van der Sterre een overzicht van het aantal kerken van verschillende kerkgenootschappen waar de SKKN de inventarisatie van het kerkelijk kunstbezit verricht heeft. Jammer is dat van de 1604 hervormde kerken die geïnventariseerd zijn, niet bekend is welk percentage dit van het geheel betreft. Duidelijk is wel dat van de kerkelijke gemeenten die tot de Nederlandse Hervormde Kerk behoorden, er een behoorlijke achterstand in de inventarisatie is.
Tenslotte een nadrukkelijk advies aan de kerkrentmeesters: u beheert een erfenis van de voorouders, die nooit verkocht mag worden. Als u er afstand van wil doen, geef het dan weg aan een museum, zo besluit de heer Van der Sterre zijn inleiding.

Stelling: Het behoud van de losse onderdelen van het protestants kerkelijke kunstbezit, is afhankelijk van de strenge selectie van de SKKN
Uit de discussie werd duidelijk dat er een gebrek aan kennis is over het protestants kerkelijk kunstbezit en dat er behoefte aan informatie bestaat. In de Protestantse Kerk in Nederland zijn de kerkelijke gemeenten zelfstandig, zodat de landelijke kerk vrijwel geen invloed kan uitoefenen op de wijze waarop met de protestantse kerkelijke kunst moet worden omgegaan.
5. Het juridisch spanningsveld
De vijfde inleider was de heer mr. J. Broekhuizen, juridisch medewerker van de Protestantse Kerk in Nederland, maar bij de colleges van kerkrentmeesters meer bekend als secretaris van de Commissie Kerkelijke Gebouwen van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO-K). De heer Broekhuizen noemde de spanning die er is tussen liturgie en monumentenzorg. De Monumentenwet van 1961 stond in het kader van de vergunningplicht op gespannen voet met de relatie “Kerk en Staat”. In 1988 is deze wet herzien en in de speciale bepalingen is o.m. gesteld dat alleen in overeenstemming met de eigenaar van het kerkgebouw bepaalde zaken in het kader van de inrichting van het kerkgebouw kunnen worden herzien.
Het bewuste artikel 18 waarnaar de heer Broekhuizen verwees, is niet altijd bekend bij de kerkbesturen en bij de betrokken gemeenteambtenaren. Bij de huidige regelgeving is het zo dat wanneer na zes maanden geen overeenstemming bereikt is, de vergunning in dat geval geacht wordt te zijn verleend. In de nieuwe regelgeving is dat niet meer het geval.

De heer Broekhuizen concludeerde o.m. dat het kerkgebouw het beste in gebruik en exploitatie kan blijven bij de kerkelijke gemeente. Dat is het voordeligst dankzij de medewerking van de vele vrijwilligers. Bovendien is dit ook de beste garantie dat het kerkgebouw voor de eredienst behouden blijft. Hij adviseerde vanuit het perspectief van het aanvragen van een vergunning (artikel 18) de zaak te benaderen en de plannen goed te motiveren. Verder pleitte de heer Broekhuizen voor meer evenwicht in advisering en vergunningverlening wanneer slechts wijzigingen in het kerkinterieur worden voorgesteld, ten opzichte van verzoeken waarbij het gaat om het verwijderen van het volledige kerkinterieur. Maar anderzijds: wat zijn monumentale kerkgebouwen zonder dito kerkinterieur?, zo besloot de heer Broekhuizen zijn inleiding.

Stelling: Moeten de gemeenten vanuit de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland beter geïnformeerd worden om onnodige spanningen met gemeentelijke overheden te voorkomen?
Hier ligt een taak voor de RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) om burgerlijke gemeenten op deze zaken te wijzen. De colleges van kerkrentmeesters van de gemeenten, die allemaal lid zijn van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer (VKB) kunnen voor alle zaken op het gebied van gebouwen en monumenten gratis terecht bij het Centraal Bureau in Dordrecht (“Even Dordrecht bellen”). Voorts zijn er de regionale Stichtingen Behoud Kerkelijke Gebouwen die colleges van kerkrentmeesters bij al dat soort zaken kunnen bijstaan.
6. De spanning tussen de liturgie en monumentenzorg bij de herinrichting en het gebruik van monumentale kerkgebouwen
Als voorlaatste spreker kreeg dr. R. Steensma, oud-docent van de Universiteit van Groningen, het woord. Aan de hand van diverse beelden toonde dr. Steensma diverse situaties waarbij in het kader van een kerkrestauratie er een herinrichting van het kerkinterieur plaats vond. In de Bavokerk van Haarlem is, zoals door de heer Kroesen reeds is aangeduid, b.v. de preekstoel met het doophek blijven staan. In andere vaak kleine monumentale dorpskerken, is het doophek weggehaald en hangt de preekstoel als een soort zwaluwnest aan de muur. Het doophek in de hervormde kerk van Giessenburg, dat een erg monumentaal onderdeel van het interieur is, is blijven staan. Ook in Mijnsheerenland waar het koorhek de scheiding vormt met het koorgedeelte van de kerk, is tijdens de restauratie in de zestiger jaren voor een goede oplossing gekozen. Bij restauraties in diverse kerken zijn de banken weggehaald en daarvoor zijn stoelen in de plaats gekomen. In een aantal gemeenten komt men daar nu op terug en worden er weer banken geplaatst.

Dr. Steensma die de invloed van de liturgische beweging (1925-1975) noemde, pleitte voor een evenwichtige benadering tussen Woord en sacrament. Hij noemde ook de situatie in Culemborg waar men destijds het advies van de Bouw- en Restauratiecommissie van de Nederlandse Hervormde Kerk om het doophek niet te verwijderen, genegeerd heeft. Overigens is hij er principieel voorstander van dat de kerkelijke gemeente hierin het laatste woord heeft en niet de overheid.
Tenslotte wees de heer Steensma op het meestal onterecht aanbrengen van podia in monumentale kerkgebouwen. Het zijn ondingen die het gehele liturgisch centrum ontsieren. Vaak kan er ook naar een goede oplossing worden gezocht door zowel stoelen als banken na de restauratie te plaatsen, aldus dr. Steensma.

Stelling: Hoewel gepleit wordt voor bepaalde beperkte ingrepen in de kerk, heeft dit niet tot desastreuze gevolgen geleid.
Uit de discussie bleek dat veel kerkrentmeesters, zeker ook wanneer het meervoudig gebruik van de kerk bevorderd moet worden, er de voorkeur aan geven om uit praktische overwegingen een herinrichting te realiseren die afwijkt van de oorspronkelijke opstelling. Overigens speelt hier de mate van spiritualiteit tijdens de eredienst een grote rol.
7. Spanning in praktijkvoorbeelden
Tenslotte sprak ir. G. van Hoogevest, verbonden aan het Architectenbureau Van Hoogevest uit Amersfoort, over de spanning in de dagelijkse praktijk.

Een herbezinning op de inrichting van de kerk vloeit voort uit verandering of vermindering van het gebruik. Dan ontstaat er een spanningsveld. Naast de gebruikelijke rituelen tijdens de eredienst als preken, vieren, dopen en avondmaal, is er soms behoefte aan een speciale ruimte bij bepaalde gebeurtenissen. Belangrijk is een goede balans te vinden tussen behoud en vernieuwing. Het is noodzakelijk om op basis van de plaatselijke ontwikkelingen (groei of krimp van de kerkgangers) de indeling van het interieur hierop aan te passen. Het is een uitdaging om datgene wat je wel kunt, inderdaad te doen en niet datgene wat je niet kunt doen.

De heer Van Hoogevest was van mening dat ook het orgel een onderdeel vormt van het ensemble (kerkgebouw en kerkinterieur). Hij wees op de restauratieprojecten die zijn bedrijf, dat 100 jaar praktijkervaring heeft op het gebied van restauratie van kerkgebouwen, begeleid heeft. Hij noemde hierbij de Janskerk te Gouda die dagelijks veel toeristen trekt. Hiervoor is een aparte voorziening getroffen waaronder het aanbrengen van een winkel om allerlei Goudse glazen en andere artikelen van de hervormde gemeente te verkopen. In Nederlands enige echt gotische kerk, namelijk de kerk van Zaltbommel, zijn de banken weggehaald en zijn daarvoor stoelen in de plaats gekomen. Daar is iedereen tevreden mee.
De ontwikkelingen gaan door en het is daarom belangrijk met de realiteit rekening te houden. Dat betekent dat kerken in toenemende mate geschikt moeten worden gemaakt voor doordeweeks gebruik. Dat is ook het geval met de Joriskerk te Amersfoort waarbij zijn bureau is betrokken. De kerk moet functioneel gemaakt worden, zodat die ook voor andere doeleinden te gebruiken is, zo besloot de heer Van Hoogevest.

Stelling: Liever herontwerp dan herbestemming.
Uit de discussie bleek dat het steeds om maatwerk gaat, namelijk wat kan er en wat wil men. Anderzijds is het ook een gegeven dat wanneer de financiële middelen krap zijn, de neiging bestaat deze beperkte middelen eerder in te zetten voor mensen (pastoraat, apostolaat) dan deze voor gebouwen beschikbaar te stellen. Ook hierbij spelen emoties van gemeenteleden een grote rol.

De heer Breukink sloot dit interessante symposium over het protestantse kerkinterieur af met te stellen dat “geloven een beweging is vanuit bezinning en vanuit het gesprek”. En deze beweging veroorzaakt spanning”, aldus de heer Breukink.
Ik wil starten met VKB Academy.
U heeft geen Flash player geinstalleerd. Klik hier om deze te downloaden.
Van den Heuvel orgelbouw
Stichting Kerkelijk Geldbeheer
Kantoor der Kerkelijke Goederen
Van Ree accountants
© Copyright 2012 VKB - Webdesign: Wendrich Reclame - Realisatie: BLiS & Quercis