Kerktorens: nog steeds een gedeelde zorg en belang
Geschreven door Mr. H.A. Lassc he Datum: 15-4-2007
De kerktorens en dan vooral de oudere van vóór 1 mei 1798, blijven in veel gemeenten de gemoederen bezighouden, vooral wegens de financiële lasten die met het
onderhoud en de instandhouding samenhangen. Zoals inmiddels als bekend mag worden verondersteld, zijn veel van die oudere torens in eigendom en dus in beheer van de lokale overheid.
Dat is gebaseerd op een oude
Staatsregeling die in de Napoleontische tijd in het leven
werd geroepen om de scheiding tussen staat en kerk te
regelen. In veel plaatsen is in die tijd en ook later wel
een regeling getroffen waarbij de kerken de eigendomsrechten
weer terugnamen. In weer andere gemeenten is
dat zonder regeling gebeurd en weet men niet beter
dan dat toren en kerk niet alleen in fysieke zin, maar
ook in juridische zin één en ondeelbaar zijn. Ik zal in dit
stuk niet de hele voorgeschiedenis, de ins en outs,
opnieuw gaan behandelen, maar verwijs kortheidshalve
naar de reeds eerder verschenen artikelen over dit
onderwerp1.
Laatst werd ik geïnformeerd over de situatie in de
gemeente Buren. De lokale gemeente daar stelde zich
op het standpunt dat de torens eigenlijk van de kerkelijke
gemeente zijn, of in ieder geval behoorden te zijn.
Er werd dan ook besloten om het onderhoud aan die
torens te stoppen en voortaan over te laten aan de kerk
zelf. Dat was wel erg kort door de bocht, want niemand
kan natuurlijk zomaar eigendommen afstoten en de
risico´s daarvan neerleggen bij een ander. De kerk zal dat
ook niet hebben gedaan en zal zo´n mededeling minimaal
voor kennisgeving moeten hebben aangenomen.
Inmiddels is daar een ander idee geboren, namelijk: alle
torens in een zelfstandige stichting onder te brengen.
Dat heeft ook subsidietechnische consequenties. De
vraag komt dan naar boven of dit op zich een goede
gedachte is en in hoeverre de kerk zich daarbij moet
aansluiten door ook meer dan een belangstellende
toeschouwer te willen zijn. Op die vraag wil ik in dit stuk
wat nader ingaan.
Waarom een stichting?
Natuurlijk vraagt men zich in de eerste plaats af of het
oprichten van een stichting en het overdragen van
eigendommen aan die nieuwe rechtspersoon, een voor
de hand liggende oplossing is. Daar kan op verschillende
manieren tegenaan worden gekeken. Op zich heeft het
overhevelen van eigendommen van de ene rechtspersoon
(= publiek orgaan) naar de andere (=private instelling)
ogenschijnlijk weinig consequenties.
Ogenschijnlijk, want er verandert wel degelijk iets.
Zolang de torens eigendom blijven van de gemeente als
publiekrechtelijk orgaan vallen ze ook onder de openbare,
politieke controle en verantwoording. Verder biedt
de gemeente normaal gesproken meer zekerheid voor de
onderhoudslasten en dus de instandhouding dan een
private persoon. Die laatste genereert in een situatie als
waarvan hier sprake is, immers nauwelijks of geen eigen
middelen en is daarom juist volledig afhankelijk van
derden.
Een stichting(sbestuur) is verder in zijn bevoegdheden
zelfstandig en kan dan ook allerlei rechtshandelingen
verrichten die meer gericht zijn op het belang van de
rechtspersoon zelf dan op het voortbestaan van de eigendommen
die ze onder zich heeft. Hoewel ze bij een
rechtspersoon die slechts voor dat doel is opgericht,
normaal gesproken samenvallen, hoeven die twee
namelijk niet altijd dezelfde te zijn. Dat geldt zeker als er
geen afzonderlijke stichting wordt opgericht maar de
torens bijvoorbeeld worden ondergebracht bij een reeds
bestaande stichting, die zich tot doel stelt ook andere
historische en monumentale gebouwen in stand te
houden.
Op het bovenstaande valt natuurlijk wel het een en
ander af te dingen, omdat statutair veel geregeld kan (of
moet) worden. Om een paar dingen te noemen:
— de bestuursleden worden benoemd door of op
voordracht van de burgerlijke gemeente;
— de stichting moet in haar bestaansmiddelen verzekerd
zijn van gemeentelijke steun;
— het stichtingsbestuur moet jaarlijks rekening en
verantwoording afleggen aan het gemeentebestuur;
— bestuursbesluiten tot wijziging van de statuten,
opheffing van de stichting, afstoten van eigendommen,
etc. kunnen alleen rechtsgeldig genomen
worden als ze vooraf de goedkeuring van het
gemeentebestuur hebben gekregen;
— en niet te vergeten, statutair moet goed vastgelegd
wordt dat de oorspronkelijke toestand hersteld kan
worden als het doel waarvoor de stichting is opgericht
niet (langer) bereikt kan worden.
Subsidies
Een belangrijke reden om een private stichting op te
richten kan zijn gelegen in het gemakkelijker kunnen
verkrijgen van (hogere) subsidies bij de verschillende
overheden of particuliere fondsen. Als dat het geval is
moet die mogelijkheid wel optimaal benut kunnen
worden. Maar ook hierin schuilt een gevaar, namelijk dat
dergelijke regelingen vaak van tijdelijke aard zijn. En als
dan op grond van dergelijke regelingen een structurele
maatregel in de eigendomssfeer wordt genomen, moet
er ook een mogelijkheid zijn om de oorspronkelijke
toestand te herstellen als die regeling vervalt.
Alles tegen elkaar afwegende kan ik mij voorstellen dat
een college van kerkrentmeesters niet onverdeeld gunstig gestemd is over een dergelijke verandering in de
eigendommen van een onroerend goed dat vaak zo
onlosmakelijk is verbonden met het hoofdgebouw
waarvoor het wel de volle verantwoordelijkheid draagt.
Immers, het gevoel kan bestaan dat het altijd beter is de
gemeente als gesprekspartner te hebben dan een private
instelling die slechts een enkelvoudig doel heeft. Maar
ook moet onderkend worden dat vele bezwaren — vaak
ook van emotionele aard — in juridische zin ondervangen
kunnen worden door een goede statutaire regeling.
Welke keuze gemaakt wordt kan sterk bepaald worden
door de lokale omstandigheden.
Maar….niet vergeten moet worden dat het de burgerlijke
gemeente in principe geheel vrij staat de handelingen
te verrichten die aan het eigendomsrecht zijn
verbonden. Daar heeft ze geen toestemming voor nodig
van het college van kerkrentmeesters. De vraag die zo’n
college zich moet stellen is of verstandig is in zo’n
stichting te participeren of dat juist niet te doen. Daarop
zal in het volgende deel nader worden ingegaan. Ik wil
dit afsluiten met nog een andere opmerking. Het
oprichten van een afzonderlijke stichting kan ook het
voordeel hebben dat het de zorg aantrekt van torens die
na 1 mei 1798 zijn gebouwd en die uit historisch, monumentaal
oogpunt van even groot belang zijn als de
torens van oudere datum.
Particuliere rechtspersoon
Hoewel de burgerlijke gemeente geheel vrij is in de
manier waarop ze met haar eigendommen omgaat en
dus ook geheel op eigen initiatief en zonder toestemming
van anderen kan besluiten de kerktorens onder te
brengen in een afzonderlijke stichting, zal het wel voor
de hand liggen dat het betrokken college van kerkrentmeesters
het verzoek krijgt daarin ook te participeren.
Wat zou de houding dan moeten zijn van het college:
zich afzijdig blijven houden dan wel meedoen? Voor mij
is dat geen vraag, omdat het antwoord voor de hand ligt,
namelijk meedoen. Daar zijn verschillende redenen voor
aan te voeren.
De eerste is wel de nauwe verwevenheid die de meeste
torens met de kerkgebouwen hebben. Ze vormen vaak
de toegang tot de kerk, dan wel maken deel uit van het
kerkgebouw zelf en het gebruik daarvan. Zo herinner ik
mij de mooie dorpskerk in Huizum (Leeuwarden Zuid)
waarvan de toren als consistorie werd gebruikt, de
hoofdingang van de kerk was en van waaruit de klokken
geluid moesten worden. Zo’n kerk zonder toren is
ondenkbaar en dan is het goed ook enige zeggenschap
te hebben over het/de gebruik(svoorwaarden) en het
onderhoud.
Je kunt beter in de gelegenheid zijn mee te praten over
de condities waaronder zo’n toren gebruikt kan worden,
dan afhankelijk te zijn van de beslissingen van derden.
Immers, niet mee doen betekent ook dat anderen
kunnen bepalen wat er met die toren kan gebeuren en
uiteraard ook wat niet. Hoe we het ook wenden of keren
in situaties waar kerk en toren in verschillende handen
zijn, zijn beide partners al dan niet gewild tot elkaar
‘veroordeeld’. Geen van de partijen kan voor de ander
weglopen dan wel deze negeren.
Historie
De tweede reden om mee te doen, is mijn inziens
historisch van aard, vloeit daaruit voort. De huidige
situatie is ontstaan in een tijd die ver achter ons ligt en
het is een zuiver staatsrechtelijk en juridisch optreden
van de overheid en de toenmalige samenleving geweest
die de scheiding op deze manier tot stand heeft
gebracht. Veelal is dat gebeurd tegen de zin van de
toenmalige kerkbesturen in. In een groot aantal gemeenten
is al snel een zgn. plan van schikking getroffen, is
later alsnog een regeling getroffen dan wel heeft de kerk
de Staatsregeling gewoon genegeerd en zich al die tijd
ook feitelijk als eigenaresse gedragen.
Juist in een instituut als de kerk wil zijn, kan de historische
erfenis niet worden genegeerd maar dient ze
daarvoor ook in de toekomst verantwoordelijkheid te
blijven dragen. Kerk en toren horen onlosmakelijk bij
elkaar en dan kan het niet zo zijn dat bij teruglopende
ledentallen en daarmee gepaard gaande vermindering
van inkomsten, die verantwoordelijkheid van de hand
wordt gewezen. Hoe verleidelijk dat ook soms kan zijn
als de nood erg hoog is geworden.
Overigens geldt de historische erfenis evenzeer voor de
lokale overheid. Die kan ook niet zomaar zeggen dat het
geen kerntaak van haar is om kerktorens in beheer en
onderhoud dan wel in eigendom te hebben. Dat zou een
lokale overheid met een beetje historisch besef juist wel
moeten zeggen en het zou het zich zelfs tot een eer
moeten rekenen dat ze de zorg mag hebben over
bouwwerken die onlosmakelijk met ontstaan en geschiedenis
van de lokale samenleving te maken hebben.
Gezamenlijk
Ik wil hiermee niet gezegd hebben, dat de kerk de lasten
van de kerktorens op zich moet nemen. Integendeel, er is
sprake van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.
De torens waarover wij spreken zijn monumentaal
en historisch van grote betekenis. Ze speelden en spelen
een bepaalde maatschappelijke rol. Menig dorp en stad
zonder dergelijke torens zou er minder fraai en aantrekkelijk
uit zien dan ze nu veelal doen. De torens bepalen
(gelukkig) nog in veel gevallen de skyline van veel steden
en dorpen en daar waar ze niet zijn, vinden we dat zo’n
plaats iets mist. Hoe aantrekkelijk het wonen in de
nieuwbouwwijken of in het nieuwe land ook mag zijn, er
wordt toch iets gemist. Dat iets meer hebben of zijn, mag
de gemeenschap in z’n totaliteit ook het nodige waarde
zijn.
Daarom zeg ik ook dat de kerkelijke en burgerlijke
gemeente er samen de schouders onder moeten blijven
zetten. Dat geldt zeker zolang het kerkgebouw nog
gebruikt wordt voor de wekelijkse erediensten. Een
college van kerkrentmeesters zou dan ook positief
moeten reageren op een eventueel verzoek van de
burgerlijke gemeente als die zou besluiten andere
vormen te zoeken voor het beheer en instandhouden van
de torens in haar gemeente. Zijn bijdrage kan bestaan uit
het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheid en
wellicht waar nodig een stuk financiële vergoeding voor
het gebruik zelf. Dat laatste zal per situatie verschillend
ingevuld kunnen worden.
Voorwaarden
Verantwoordelijkheid (blijven) dragen ja, maar wel onder
bepaalde voorwaarden. Naar mijn mening zal er heel
goed op moeten worden toegezien dat niet door een
bepaalde constructie direct of indirect die torens weer
onder het beheer en de zorg van de kerk alleen komen
te vallen. Daarom moeten er in de statuten ook bepaalde
voorwaarden worden opgenomen die dit kunnen
voorkomen. Hierboven heb ik er al een aantal genoemd.
De kerkelijke gemeente mag in zo’n situatie ook best de
garantie vragen van de lokale overheid dat die haar
eigen verantwoordelijkheid blijft invullen, nu en in de
verdere toekomst. Wanneer de reden voor het op een
andere manier onderbrengen van de eigendomsrechten
komt te vervallen, mag verlangd worden dat de oorspronkelijke
situatie wordt hersteld. Zo kan in de statuten
worden vastgelegd dat bij opheffing of liquidatie van
de rechtspersoon de eigendomsrechten weer vervallen
aan de burgerlijke gemeente.
Ook zou duidelijk moeten worden bepaald wat de
bestuurlijke en (eventueel) de financiële medeverantwoordelijkheid
eigenlijk inhoudt. Neem geen genoegen
met vage, politiek getinte beloften en intenties, maar
maak ze concreet. Op die manier kunnen teleurstellingen
in de toekomst worden voorkomen en worden toekomstige
generaties niet met een onnodige last opgezadeld.
Tot slot
kerkrentmeesters zit te wachten op een hernieuwde
discussie over het beheer, gebruik en onderhoud van
kerktorens waarvan de zorg nu (nog) bij de burgerlijke
overheid berust, mag het deze niet uit de weg gaan.
Daarmee zou het zijn historische betrokkenheid en
verantwoordelijkheid ontkennen.
Mocht de lokale overheid willen overgaan tot een andere
constructie en de kerk uitnodigen daarin ook te participeren,
dan zou daarop in beginsel positief gereageerd
kunnen worden. De uiteindelijke betrokkenheid zal
echter mede bepaald moeten worden door de voorwaarden
waaronder een en ander wordt geregeld. In dat
opzicht een welgemeend advies tot slot: alvorens
definitieve besluiten te nemen, is het verstandig zich
extern van een (tegen)advies te laten voorzien.
De heer Lassche is adviseur van de VKB op het gebied van
de kerktorens.
1) Zie in dit verband: “Kerkvoogdij” sept. 1990 (pag. 1856), febr.
1991 (pag. 8304), april 1997 (pag. 495), juni 1997 (pag 549),
Kerkbeheer 3e Jrg. no. 1 en no. 3, alsmede “In dienst van de
kerk”, 84 jaar Vereniging van Kerkvoogdijen in de Nederlandse
Hervormde Kerk 1920 – 2004, pag 226 e.v.