Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de PKN (VKB)
Kerk C
Kerk B
Kerk ABCD
Login


Wachtwoord vergeten
Auto inloggen
Kerktorens: nog steeds een ged...
Kerktorens: nog steeds een gedeelde zorg en belang
Geschreven door Mr. H.A. Lassc he   Datum: 15-4-2007
Kerktorens: nog steeds een gedeelde zorg en belang


Dat is gebaseerd op een oude Staatsregeling die in de Napoleontische tijd in het leven werd geroepen om de scheiding tussen staat en kerk te regelen. In veel plaatsen is in die tijd en ook later wel een regeling getroffen waarbij de kerken de eigendomsrechten weer terugnamen. In weer andere gemeenten is dat zonder regeling gebeurd en weet men niet beter dan dat toren en kerk niet alleen in fysieke zin, maar ook in juridische zin één en ondeelbaar zijn. Ik zal in dit stuk niet de hele voorgeschiedenis, de ins en outs, opnieuw gaan behandelen, maar verwijs kortheidshalve naar de reeds eerder verschenen artikelen over dit onderwerp1.

Laatst werd ik geïnformeerd over de situatie in de gemeente Buren. De lokale gemeente daar stelde zich op het standpunt dat de torens eigenlijk van de kerkelijke gemeente zijn, of in ieder geval behoorden te zijn. Er werd dan ook besloten om het onderhoud aan die torens te stoppen en voortaan over te laten aan de kerk zelf. Dat was wel erg kort door de bocht, want niemand kan natuurlijk zomaar eigendommen afstoten en de risico´s daarvan neerleggen bij een ander. De kerk zal dat ook niet hebben gedaan en zal zo´n mededeling minimaal voor kennisgeving moeten hebben aangenomen. Inmiddels is daar een ander idee geboren, namelijk: alle torens in een zelfstandige stichting onder te brengen. Dat heeft ook subsidietechnische consequenties. De vraag komt dan naar boven of dit op zich een goede gedachte is en in hoeverre de kerk zich daarbij moet aansluiten door ook meer dan een belangstellende toeschouwer te willen zijn. Op die vraag wil ik in dit stuk wat nader ingaan.
Waarom een stichting?
Natuurlijk vraagt men zich in de eerste plaats af of het oprichten van een stichting en het overdragen van eigendommen aan die nieuwe rechtspersoon, een voor de hand liggende oplossing is. Daar kan op verschillende manieren tegenaan worden gekeken. Op zich heeft het overhevelen van eigendommen van de ene rechtspersoon (= publiek orgaan) naar de andere (=private instelling) ogenschijnlijk weinig consequenties.
Ogenschijnlijk, want er verandert wel degelijk iets. Zolang de torens eigendom blijven van de gemeente als publiekrechtelijk orgaan vallen ze ook onder de openbare, politieke controle en verantwoording. Verder biedt de gemeente normaal gesproken meer zekerheid voor de onderhoudslasten en dus de instandhouding dan een private persoon. Die laatste genereert in een situatie als waarvan hier sprake is, immers nauwelijks of geen eigen middelen en is daarom juist volledig afhankelijk van derden.
Een stichting(sbestuur) is verder in zijn bevoegdheden zelfstandig en kan dan ook allerlei rechtshandelingen verrichten die meer gericht zijn op het belang van de rechtspersoon zelf dan op het voortbestaan van de eigendommen die ze onder zich heeft. Hoewel ze bij een rechtspersoon die slechts voor dat doel is opgericht, normaal gesproken samenvallen, hoeven die twee namelijk niet altijd dezelfde te zijn. Dat geldt zeker als er geen afzonderlijke stichting wordt opgericht maar de torens bijvoorbeeld worden ondergebracht bij een reeds bestaande stichting, die zich tot doel stelt ook andere historische en monumentale gebouwen in stand te houden.

Op het bovenstaande valt natuurlijk wel het een en ander af te dingen, omdat statutair veel geregeld kan (of moet) worden. Om een paar dingen te noemen:
— de bestuursleden worden benoemd door of op voordracht van de burgerlijke gemeente;
— de stichting moet in haar bestaansmiddelen verzekerd zijn van gemeentelijke steun;
— het stichtingsbestuur moet jaarlijks rekening en verantwoording afleggen aan het gemeentebestuur;
— bestuursbesluiten tot wijziging van de statuten, opheffing van de stichting, afstoten van eigendommen, etc. kunnen alleen rechtsgeldig genomen worden als ze vooraf de goedkeuring van het gemeentebestuur hebben gekregen;
— en niet te vergeten, statutair moet goed vastgelegd wordt dat de oorspronkelijke toestand hersteld kan worden als het doel waarvoor de stichting is opgericht niet (langer) bereikt kan worden.
Subsidies
Een belangrijke reden om een private stichting op te richten kan zijn gelegen in het gemakkelijker kunnen verkrijgen van (hogere) subsidies bij de verschillende overheden of particuliere fondsen. Als dat het geval is moet die mogelijkheid wel optimaal benut kunnen worden. Maar ook hierin schuilt een gevaar, namelijk dat dergelijke regelingen vaak van tijdelijke aard zijn. En als dan op grond van dergelijke regelingen een structurele maatregel in de eigendomssfeer wordt genomen, moet er ook een mogelijkheid zijn om de oorspronkelijke toestand te herstellen als die regeling vervalt. Alles tegen elkaar afwegende kan ik mij voorstellen dat een college van kerkrentmeesters niet onverdeeld gunstig gestemd is over een dergelijke verandering in de eigendommen van een onroerend goed dat vaak zo onlosmakelijk is verbonden met het hoofdgebouw waarvoor het wel de volle verantwoordelijkheid draagt. Immers, het gevoel kan bestaan dat het altijd beter is de gemeente als gesprekspartner te hebben dan een private instelling die slechts een enkelvoudig doel heeft. Maar ook moet onderkend worden dat vele bezwaren — vaak ook van emotionele aard — in juridische zin ondervangen kunnen worden door een goede statutaire regeling. Welke keuze gemaakt wordt kan sterk bepaald worden door de lokale omstandigheden.

Maar….niet vergeten moet worden dat het de burgerlijke gemeente in principe geheel vrij staat de handelingen te verrichten die aan het eigendomsrecht zijn verbonden. Daar heeft ze geen toestemming voor nodig van het college van kerkrentmeesters. De vraag die zo’n college zich moet stellen is of verstandig is in zo’n stichting te participeren of dat juist niet te doen. Daarop zal in het volgende deel nader worden ingegaan. Ik wil dit afsluiten met nog een andere opmerking. Het oprichten van een afzonderlijke stichting kan ook het voordeel hebben dat het de zorg aantrekt van torens die na 1 mei 1798 zijn gebouwd en die uit historisch, monumentaal oogpunt van even groot belang zijn als de torens van oudere datum.
Particuliere rechtspersoon
Hoewel de burgerlijke gemeente geheel vrij is in de manier waarop ze met haar eigendommen omgaat en dus ook geheel op eigen initiatief en zonder toestemming van anderen kan besluiten de kerktorens onder te brengen in een afzonderlijke stichting, zal het wel voor de hand liggen dat het betrokken college van kerkrentmeesters het verzoek krijgt daarin ook te participeren. Wat zou de houding dan moeten zijn van het college: zich afzijdig blijven houden dan wel meedoen? Voor mij is dat geen vraag, omdat het antwoord voor de hand ligt, namelijk meedoen. Daar zijn verschillende redenen voor aan te voeren.

De eerste is wel de nauwe verwevenheid die de meeste torens met de kerkgebouwen hebben. Ze vormen vaak de toegang tot de kerk, dan wel maken deel uit van het kerkgebouw zelf en het gebruik daarvan. Zo herinner ik mij de mooie dorpskerk in Huizum (Leeuwarden Zuid) waarvan de toren als consistorie werd gebruikt, de hoofdingang van de kerk was en van waaruit de klokken geluid moesten worden. Zo’n kerk zonder toren is ondenkbaar en dan is het goed ook enige zeggenschap te hebben over het/de gebruik(svoorwaarden) en het onderhoud.
Je kunt beter in de gelegenheid zijn mee te praten over de condities waaronder zo’n toren gebruikt kan worden, dan afhankelijk te zijn van de beslissingen van derden. Immers, niet mee doen betekent ook dat anderen kunnen bepalen wat er met die toren kan gebeuren en uiteraard ook wat niet. Hoe we het ook wenden of keren in situaties waar kerk en toren in verschillende handen zijn, zijn beide partners al dan niet gewild tot elkaar ‘veroordeeld’. Geen van de partijen kan voor de ander weglopen dan wel deze negeren.
Historie
De tweede reden om mee te doen, is mijn inziens historisch van aard, vloeit daaruit voort. De huidige situatie is ontstaan in een tijd die ver achter ons ligt en het is een zuiver staatsrechtelijk en juridisch optreden van de overheid en de toenmalige samenleving geweest die de scheiding op deze manier tot stand heeft gebracht. Veelal is dat gebeurd tegen de zin van de toenmalige kerkbesturen in. In een groot aantal gemeenten is al snel een zgn. plan van schikking getroffen, is later alsnog een regeling getroffen dan wel heeft de kerk de Staatsregeling gewoon genegeerd en zich al die tijd ook feitelijk als eigenaresse gedragen.
Juist in een instituut als de kerk wil zijn, kan de historische erfenis niet worden genegeerd maar dient ze daarvoor ook in de toekomst verantwoordelijkheid te blijven dragen. Kerk en toren horen onlosmakelijk bij elkaar en dan kan het niet zo zijn dat bij teruglopende ledentallen en daarmee gepaard gaande vermindering van inkomsten, die verantwoordelijkheid van de hand wordt gewezen. Hoe verleidelijk dat ook soms kan zijn als de nood erg hoog is geworden.
Overigens geldt de historische erfenis evenzeer voor de lokale overheid. Die kan ook niet zomaar zeggen dat het geen kerntaak van haar is om kerktorens in beheer en onderhoud dan wel in eigendom te hebben. Dat zou een lokale overheid met een beetje historisch besef juist wel moeten zeggen en het zou het zich zelfs tot een eer moeten rekenen dat ze de zorg mag hebben over bouwwerken die onlosmakelijk met ontstaan en geschiedenis van de lokale samenleving te maken hebben.
Gezamenlijk
Ik wil hiermee niet gezegd hebben, dat de kerk de lasten van de kerktorens op zich moet nemen. Integendeel, er is sprake van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. De torens waarover wij spreken zijn monumentaal en historisch van grote betekenis. Ze speelden en spelen een bepaalde maatschappelijke rol. Menig dorp en stad zonder dergelijke torens zou er minder fraai en aantrekkelijk uit zien dan ze nu veelal doen. De torens bepalen (gelukkig) nog in veel gevallen de skyline van veel steden en dorpen en daar waar ze niet zijn, vinden we dat zo’n plaats iets mist. Hoe aantrekkelijk het wonen in de nieuwbouwwijken of in het nieuwe land ook mag zijn, er wordt toch iets gemist. Dat iets meer hebben of zijn, mag de gemeenschap in z’n totaliteit ook het nodige waarde zijn.
Daarom zeg ik ook dat de kerkelijke en burgerlijke gemeente er samen de schouders onder moeten blijven zetten. Dat geldt zeker zolang het kerkgebouw nog gebruikt wordt voor de wekelijkse erediensten. Een college van kerkrentmeesters zou dan ook positief moeten reageren op een eventueel verzoek van de burgerlijke gemeente als die zou besluiten andere vormen te zoeken voor het beheer en instandhouden van de torens in haar gemeente. Zijn bijdrage kan bestaan uit het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheid en wellicht waar nodig een stuk financiële vergoeding voor het gebruik zelf. Dat laatste zal per situatie verschillend ingevuld kunnen worden.
Voorwaarden
Verantwoordelijkheid (blijven) dragen ja, maar wel onder bepaalde voorwaarden. Naar mijn mening zal er heel goed op moeten worden toegezien dat niet door een bepaalde constructie direct of indirect die torens weer onder het beheer en de zorg van de kerk alleen komen te vallen. Daarom moeten er in de statuten ook bepaalde voorwaarden worden opgenomen die dit kunnen voorkomen. Hierboven heb ik er al een aantal genoemd.
De kerkelijke gemeente mag in zo’n situatie ook best de garantie vragen van de lokale overheid dat die haar eigen verantwoordelijkheid blijft invullen, nu en in de verdere toekomst. Wanneer de reden voor het op een andere manier onderbrengen van de eigendomsrechten komt te vervallen, mag verlangd worden dat de oorspronkelijke situatie wordt hersteld. Zo kan in de statuten worden vastgelegd dat bij opheffing of liquidatie van de rechtspersoon de eigendomsrechten weer vervallen aan de burgerlijke gemeente.
Ook zou duidelijk moeten worden bepaald wat de bestuurlijke en (eventueel) de financiële medeverantwoordelijkheid eigenlijk inhoudt. Neem geen genoegen met vage, politiek getinte beloften en intenties, maar maak ze concreet. Op die manier kunnen teleurstellingen in de toekomst worden voorkomen en worden toekomstige generaties niet met een onnodige last opgezadeld.
Tot slot
kerkrentmeesters zit te wachten op een hernieuwde discussie over het beheer, gebruik en onderhoud van kerktorens waarvan de zorg nu (nog) bij de burgerlijke overheid berust, mag het deze niet uit de weg gaan. Daarmee zou het zijn historische betrokkenheid en verantwoordelijkheid ontkennen.
Mocht de lokale overheid willen overgaan tot een andere constructie en de kerk uitnodigen daarin ook te participeren, dan zou daarop in beginsel positief gereageerd kunnen worden. De uiteindelijke betrokkenheid zal echter mede bepaald moeten worden door de voorwaarden waaronder een en ander wordt geregeld. In dat opzicht een welgemeend advies tot slot: alvorens definitieve besluiten te nemen, is het verstandig zich extern van een (tegen)advies te laten voorzien.

De heer Lassche is adviseur van de VKB op het gebied van de kerktorens.

1) Zie in dit verband: “Kerkvoogdij” sept. 1990 (pag. 1856), febr. 1991 (pag. 8304), april 1997 (pag. 495), juni 1997 (pag 549), Kerkbeheer 3e Jrg. no. 1 en no. 3, alsmede “In dienst van de kerk”, 84 jaar Vereniging van Kerkvoogdijen in de Nederlandse Hervormde Kerk 1920 – 2004, pag 226 e.v.
Ik wil starten met VKB Academy.
Van Ree accountants
Kantoor der Kerkelijke Goederen
Van den Heuvel orgelbouw
Stichting Kerkelijk Geldbeheer
U heeft geen Flash player geinstalleerd. Klik hier om deze te downloaden.
© Copyright 2012 VKB - Webdesign: Wendrich Reclame - Realisatie: BLiS & Quercis