WORKSHOP 1 - KERKTORENS - VKB Congres op 19 april 2008 te Ede
Geschreven door Mr. H.A. Lassche Datum: 15-1-2008
Kerktorens, ankers uit het
verleden, gezicht van het
heden en de richtingwijzers
voor de toekomst
VKB Congres op 19 april 2008 te Ede
De Nederlandse dorpen en steden
zijn van oudsher vanuit de verte
herkenbaar door hun torens. De
skyline die tegenwoordig (helaas)
vaak vervuild wordt door moderne
hoogbouw, werd in het verleden
slechts bepaald door de kerktorens.
Die gaven het dorp of stad hun
eigen gezicht — ‘eigen smoel’ zullen
we tegenwoordig zeggen — en hun
identiteit. Nog steeds is in sommige
gemeenten de toren een stedenbouwkundig
uitgangspunt voor de
nieuwbouw. In menig stads- of
gemeentewapen is de toren het
belangrijkste object en dat geldt in
niet mindere mate voor de moderne
logo’s.
Stelt u zich eens een Nederland voor
zonder torens, ga in gedachten eens
door een oude stad en denk daarbij
de kerken en torens weg, u zou zich
ontheemd, onthecht voelen. Rijdt u
eens op een mooie zomer- of
winterdag door het prachtige weidegebied van Friesland en kijk om u
heen. En laat de prachtige vergezichten
waarvan de invulling bepaald
wordt door de vele terpen met
daarop fier een kerk plus bijbehorende
toren, op u inwerken. Die
weghalen zou leiden tot een
ontzield landschap. Ondenkbaar dus en zeker onwenselijk.
Ankers
Dat is dan nog maar het uiterlijk
— wel belangrijk trouwens want
daaraan ontleent menigeen voor
een deel zijn zingeving — maar in
cultuurhistorische zin vertellen die
torens en hun kerken ons nog veel
meer. Het zijn als het ware de ankers
die ons verbinden met het verleden.
Dat verleden bepaalt nog steeds het
gezicht van nu, maar ze wijzen ons
tegelijk de richting naar de toekomst.
Bewaren en instandhouden
dus. br>
Door de veranderende plaats
die de kerk als geloofsgemeenschap
in de huidige samenleving heeft
moeten innemen wordt het voortbestaan
van menige kerk en toren
bedreigd. De laatste nog meer dan
de eerste, omdat de weinig beschikbare
geldmiddelen waarover een
plaatselijke kerk nog beschikt eerder
gestoken zullen worden in het
onderhoud van het kerkgebouw dan
in de toren wiens betekenis voor die
kerk is afgenomen. Er is derhalve
een probleem.
Bijzondere situatie
Nu doet zich in ons land wat betreft
de eigendomssituatie een bijzondere
situatie voor. Een deel van de
kerktorens is namelijk nog steeds
eigendom van de lokale overheid.
Omdat te kunnen begrijpen zullen
we de geschiedenis in moeten
duiken en teruggaan naar de Franse
Tijd. In de Staatsregeling van 1 mei
1798 bepaalde de wetgever namelijk
dat er scheiding was tussen Staat en
Kerk. Dat was een geweldige
ingreep voor die tijd, want totdat
moment waren Staat en Kerk twee
gelijksoortige eenheden, twee
kanten van dezelfde medaille.
De kerkgebouwen werden toegewezen
aan de plaatselijke kerk, maar
de torens waren en bleven eigendom
van de lokale overheid. Dat gaf
en geeft veel onduidelijkheid en
verwarring. Door de manier waarop
in de loop van de eeuwen deze regeling
is uitgevoerd en in de leefwereld
van kerkelijke en burgerlijke
overheid in de herinnering is blijven
voortleven, is de helderheid niet
duidelijker geworden. In een aantal
gemeenten werden de torens vlak
na 1798 toch weer toebedeeld aan
de kerken, soms op basis van een
zgn. Plan van Schikking, soms door
net te doen of de Staatsregeling niet
bestond, zeker niet voor de toenmalige
plaatselijke kerk.
Lokale overheid
Door omstandigheden gedwongen
heeft menig kerkrentmeesterlijk
college zich de vraag gesteld of het
de oude toren nog wel kan en moet
onderhouden. Moet die niet terug
naar de burgerlijke gemeente? Eind
jaren negentig van de vorige eeuw is
om deze reden door een aantal
Friese kerkvoogdijen een proces
gevoerd met als doel de torens
alsnog (of opnieuw) onder de
jurisdictie of zeggenschap van de
lokale overheid te brengen. In het
arrest van 22 september 2000 heeft
de Hoge Raad de kerkvoogdijen
opgedragen met keiharde bewijzen
te komen dat zij al die jaren de
toren stilzwijgend in bezit hadden
en onderhoud hebben gepleegd
voor de gemeente (ze waren in hun
ogen in juridische termen houder/
bezitter voor de burgerlijke gemeente
geweest). Zolang het bewijs van
die stelling niet geleverd is, wordt
de feitelijke situatie voor rechtens
juist gehouden.
Kortom: de situatie van 1798 is
opnieuw bevestigd en bevroren. Dat
geldt zowel naar de kant van de
kerkelijke gemeenten als naar de
kant van de lokale overheid. We zien
namelijk ook een tweezijdige
beweging. Ook de burgerlijke
gemeente1 is steeds vaker op zoek
naar haar eigen kerntaken en rekent
dan het onderhoud van een kerktoren
daar niet onder. Men zoekt dan
soms creatieve wegen om van dat
onderhoud af te komen en de toren
weer letterlijk bij de kerk te laten.
Gesprek nodig
De belangen van de burgerlijke
overheid aan de ene kant en de
noodzaak om binnen de kerken de
steeds minder wordende geldmiddelen
te besteden aan de echte
‘kerntaken’ aan de andere kant,
noodzaken beide partijen om
opnieuw met elkaar in gesprek te
gaan. Een gesprek niet vanuit de
tegenstelling, maar juist vanuit de
eenduidige opdracht om samen door
te geven wat het voorgeslacht ons
heeft aangereikt. Niet vergeten mag
worden dat ook na 1798 nog menige
kerktoren is gebouwd die in veel
gevallen zijn omgeving eveneens
een aantrekkelijk gezicht heeft
gegeven. Mag de discussie over die
‘ver’gezichten dan alleen gevoerd
worden over het al dan niet van
toepassing zijn van een ongelukkig
geformuleerde Staatsregeling uit
1798, of moet die juist daar bovenuit
getild worden door te kijken naar de
plaats en functie van onze monumenten
in hun algemeenheid en die
van kerktorens in het bijzonder?
In de workshop die over dit onderwerp
zal worden gehouden, zal een
korte terugblik op de Staatsregeling
niet kunnen ontbreken, want alleen
daardoor kunnen we de situatie van
nu begrijpen. Maar tegelijkertijd
zullen we stil staan bij de vraag hoe
we daar in de toekomst mee zullen
of kunnen omgaan. Van belang voor
de uitkomst van de discussie zal zijn
de erkenning dat er sprake moet zijn
van een gemeenschappelijk belang
dat een hernieuwde invulling van de
verantwoordelijkheid vraagt. Welke
oplossingen doen zich voor om die
gemeenschappelijke verantwoordelijkheid
ook voor torens die geen
eigendom van de burgerlijke
overheid meer zijn of die dateren
van na 1798, een eigentijdse invulling
te geven. Eenduidige oplossingen
zijn er niet, overleg en overtuiging
zal nodig zijn. Dat vergt
creativiteit en de wil om naar elkaars
argumenten te luisteren.
De heer Lassche was tot 1 januari
2006 gemeentesecretaris van Raalte.
Hij vervult tal van nevenfuncties,
waaronder die van adviseur van de
VKB op het terrein van kerktorens.
1 In veel gevallen weten ze daar niet eens
waarom juist deze toren bij haar in
beheer en onderhoud is. Ze hebben wel
eens de klok horen luiden, maar waar
precies de klepel hangt, vergt het nodige
historische onderzoek.