Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de PKN (VKB)
Kerk C
Kerk B
Kerk ABCD
Login


Wachtwoord vergeten
Auto inloggen
Het orgel is de koningin van d...
Het orgel is de koningin van de instrumenten
Geschreven door Vkb   Datum: 15-9-2008
Het orgel is de koningin van de instrumenten


Ds. Mudde is emeritus predikant, was van 1966 tot 2003 luthers predikant in Den Helder, Deventer, Zwolle, Den Haag en Arnhem. Hij is o.a. lid van de Commissie Orgelzaken van de VKB. Als oudste kleinzoon van Jan Zwart en zoon van Willem Mudde, allebei organisten/kerkmusici, is de belangstelling voor muziek hem met de paplepel ingegeven.

Ds. Mudde: Van Psalm 150, laatste lied van het Liedboek van Israël, bestaat een uitleg, die mij is bijgebleven vanaf het eerste moment dat ik haar tegenkwam, jaren geleden. Die uitleg zei: kijk eens naar de muziekinstrumenten in die Psalm genoemd.

Looft Hem met bazuingeschal,
looft Hem met harp en citer,
looft Hem met snarenspel en fluit,
looft Hem met klinkende cimbalen,
looft Hem met schallende cimbalen
alles wat adem heeft, love de Heer.

(Psalm 150 : 3-6, NBG vertaling 1951)
Verschillende geledingen
Die instrumenten zijn daar niet zomaar lukraak neergeschreven, maar ze wijzen stuk voor stuk naar verschillende geledingen van het volk Israël in die oude dagen, naar de maatschappij van toen. De bazuin was bij uitstek het instrument van de tempel. Tot in het Nieuwe Testament toe: als op de jongste Dag de láátste bazuin zal klinken.

Zo had de burgerij voor haar muziek de beschikking over harp en citer. Het vrouwvolk danste bij het treden van de druivenpers op de muziek van fluit en tamboerijn: zang en ritme om de vaart erin te houden, arbeidsvitaminen van toen. Zieken hadden hun ‘sláánde cimbalen’, naar de zeer juiste Nieuwe Vertaling, met name de melaatsen, verplicht om zich te laten horen om redenen van preventie: ‘Als je ons hoort met onze ratels, pas op, kom niet te dicht in onze buurt’.

Met andere woorden: het Boek van de Psalmen besluit met een oproep aan alle geledingen van Israël, van geestelijk tot profaan, van hoog tot laag, man en vrouw, ziek en gezond, jong en oud, om samen de lof van de Eeuwige te zingen met gebruikneming van alle muzikale middelen die er maar zijn.
De Eeuwige te loven
Met deze inzet begin ik vandaag welbewust. Om van meet af aan u en mezelf weer eens te binnen te brengen, dat we als kerk en gemeente van Jezus Christus in het spoor van Israël niet alleen geroepen zijn om het Evangelie te verkondigen met spreken en preken en om dat goede Woord van Godswege te geloven in gehoorzaamheid en navolging, maar om dat alles te doen al zingend en musicerend — om van zondag tot zondag, als we sámen zijn in bonte samenhang van mensen, de Eeuwige te loven en te prijzen met alle mogelijke middelen van de muziek. Dus als we het hier hebben over het orgel, dan gaat het allereerst om muziek. Dat is om zo te zeggen alleen al van groot belang naar de Eeuwige toe.

Maar het is ook van groot belang naar onszelf toe. Van de enkele jaren geleden overleden, ook in ons land onder theologen bekend geworden Friedrich-Wilhelm Marquardt, is de zin: ‘Over God spreken kan alleen maar zingend’. Wie weet herkent u dat in uw eigen wijze van geloven en bezig zijn met de dingen van de kerk. Velen valt het moeilijk om echt persoonlijk te spreken over wat het Woord van God bij je teweegbrengt. Maar die moeilijkheid valt soms zomaar weg zodra je gaat zingen, als je in de kerk samen met anderen een Psalm inzet, een lied aanheft. In de allermeeste gevallen gebeurt dat samen mét en ondersteund dóór het orgel.
Calvinistische traditie
onze contreien is dat niet van meet af aan het geval geweest. In de Calvinistische traditie van ons land heeft het orgel in de kerkdiensten lang moeten zwijgen. De Lutherse traditie, de andere stam waaruit de Protestantse Kerk in Nederland is voortgekomen, stond van meet af aan uitermate open voor het inschakelen van de muziek als grote gave van God náást het Woord en dus uitermate dienstbaar in en geschikt voor de verkondiging van het Evangelie.

Koningin der instrumenten wordt het orgel terecht genoemd. Geen ander instrument heeft zoveel verschillende mogelijkheden. Soms bescheiden van omvang, vaak indrukwekkend en monumentaal. Soms luid aanwezig, dan weer ingetogen begeleidend. Op concerten stoer en trots. Bespeling van het orgel vereist heel wat vaardigheid. Aan de klavieren hebben de handen vol werk, het pedaal mag, ja móet zelfs met voeten worden getreden. Je ogen moeten in de partituur op de lessenaar drie notenbalken tegelijk in de gaten houden. En wie geen goede oren aan zijn hoofd heeft, zal nooit weg weten met het kiezen van de nodige registraties, met het mengen van de talloze variaties van klank en geluid en van hoe dat klinkt in altijd weer andere akoestische verhoudingen.
Zorgen om het orgel
Maar ik sta hier niet alleen om de lof van het orgel te zingen. We zijn hier ook samen omdat er vandaag de dag toenemende zorgen zijn wegens het orgel. In aanschaf vroeger al niet goedkoop, is het vandaag al nauwelijks meer te betalen. Als er nog eens nieuwbouw plaatsvindt, dan haalt zoiets zowaar het NOS journaal, zoals onlangs bij de ingebruikneming van het nieuwe, zogeheten ‘Bachorgel’ in Dordrecht. Het orgel is ook bepaald niet goedkoop in onderhoud. En U schrikt als kerkrentmeesters elke keer weer als het op restauratie aankomt. Er doemen steeds grotere zorgen op voor het restaureren van de vele als monument erkende kerkorgels.

Twee jaar geleden werden de tot dat moment bestaande subsidieregelingen opgeheven, te weten het Besluit Rijkssubsidiëring Restauratie Monumenten van 1997, afgekort BRRM. Net als het BROM: Besluit Rijkssubsidiëring Onderhoud Monumenten. Die zijn inmiddels vervangen door het BRIM, (zo zijn we gegaan van BROM naar BRIM). Dat houdt in: Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding Monumenten. Daarbij verliezen de orgels hun relatief gesproken zelfstandige positie.
In het BRIM ressorteren de orgels voortaan onder het gebouw waarin ze staan opgesteld, meestal dus het kerkgebouw. Het BRIM wordt in de komende jaren (vanaf 2009 tot en met 2011) gefaseerd ingevoerd voor de kerkgebouwen (dus inclusief de orgels). Tot dan blijft voor kerken en orgels nog even het BROM van kracht. Het al genoemde BRRM is evenwel voorgoed opgeheven. Om voor een aantal orgelrestauratie-opdrachten een vacuüm te voorkomen, is er een zogeheten RRWR 2007 (Regeling Rijkssubsidiëring Wegwerken Restauratieachterstand) in het leven geroepen. En dat die inmiddels in werking is gesteld, is mede te danken aan lobbywerk vanuit gezamenlijke organisaties op het gebied van de orgelcultuur en de orgelrestauratie.

(Diverse rapporten en regelingen zijn via de website van de Rijksdienst voor de Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten te raadplegen, c.q. te bestellen)
Vergrijzing onder organisten
Er zijn inmiddels ook toenemende zorgen over het bespelen van de orgels. Waar halen we nu en vooral straks de mensen vandaan, die dat kunnen? Wie hebben straks nog verstand van die vaak schitterende, maar ook zo ingewikkelde instrumenten? Het onlangs bekend geworden KASKI-rapport (‘Onderzoek onder kerkmusici en kerkmuzikale praktijken in de Protestantse Kerk in Nederland’, oktober 2007) laat zorgwekkende geluiden horen.

‘Het gaat niet goed met de kerkmuziek in Nederland’, kopte zelfs een bepaald niet zo kerkelijk geïnteresseerde krant als NRC-Handelsblad. 38 Procent van de 700 overigens allemaal parttime werkende professionals met een conservatoriumopleiding is 55 jaar of ouder. Onder de amateurs is de vergrijzing nog groter: meer dan de helft van de ruim 3000 kerkmusici, zeg maar zowat allemaal organisten, is ten minste 55 jaar. Amateurs zullen het vooral moeten worden, lijkt het wel, om van dilettanten nog maar te zwijgen. Belangrijke oorzaak zijn de sterk afgenomen financiële middelen.
Ambachtelijkheid van orgelbouw en -onderhoud
Nog een zorg in samenhang hiermee betreft de toekomst van de broodnodige ambachtelijkheid in orgelbouw en orgelonderhoud. Zullen er nog voldoende bedrijven zijn met verstand van onderhoud en restauratie? Zullen ze hun vaardigheid voldoende op peil kunnen houden als ze af en toe ook niet eens de vreugde te mogen beleven van de bouw van een geheel nieuw instrument? Nu moeten ze hun creatieve en o zo ambachtelijke vreugde nogal eens opdoen met een opdracht vanuit het buitenland, vanuit delen van de wereld, waar kerken niet slinken, maar integendeel groeien en bloeien dat het een lieve lust is.

Uiteraard zijn er instanties, die zich momenteel bezighouden met de genoemde problematiek. Daar is intussen weer het ISOK, Interkerkelijke Stichting Opleiding Kerkmuziek, actieve opvolgster van het voormalige Nederlands Instituut voor Kerkmuziek na een aanvankelijke glorieuze start met steun van de toenmalige overheid, maar helaas al tamelijk gauw in heel stil vaarwater verzeild geraakt. Daar is ook de aandacht van de zijde van de twee voor onze Protestantse Kerk van belang zijnde organisaties, de KNOV, de Koninklijke Nederlandse Organisten Vereniging en de GOV, de Gereformeerde Organisten Vereniging. Die zijn op weg om volgend jaar een fusie aan te gaan.

Er worden pogingen gedaan vanuit een aantal organisaties binnen het wereldje van de Protestantse kerkmuziek, organisatorisch nogal versnipperd, om voet aan de grond te krijgen bij de nieuwgevormde PThU, de Protestantse Theologische Universiteit, teneinde aanstaande theologen beter op te leiden met besef en kennis van kerklied en muziek als zinvol voor de beleving van geloof en liturgie. Omgekeerd worden er pogingen gedaan om aan de bestaande muziekopleidingen, zoals conservatoria en muziekscholen, ook aandacht te geven aan de theologische en spirituele aspecten van de muziek, zoals die eeuwenlang in de muziekgeschiedenis aan de orde zijn geweest.
Regionale consulenten
Vanuit de COZ, de Commissie Orgelzaken van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse Kerk in Nederland, worden pogingen gedaan om zoiets als netwerken op te zetten van en rondom regionale consulenten, die sleutelfiguren zouden kunnen worden (als ze dat op menige plek van ons land al niet zijn) in aandacht en zorg voor het orgelbestand in hun omgeving, de streek waarin ze wonen en waar ze vaak grote kennis van dragen.

Uiteraard dienen pogingen om nog veel meer dan al geschiedt de niet-kerkelijke omgeving van onze kerken en gemeenten, regionale en plaatselijke overheden, in contact te brengen met het o zo waardevolle orgelbestand, waaraan ons land zo rijk is. Heel wat kerkdeuren gaan inmiddels open ook in dit opzicht, na vaak vooral door de week vaak hermetisch gesloten te zijn geweest.

Hier en daar vinden concerten plaats niet met louter en alleen orgelmuziek, maar orgel in combinatie met poëzie (Groningen), orgel in combinatie met dans, ballet, theater (Utrecht). Soms zelfs orgel met andere dan christelijke elementen, zoals onlangs in Deventer: orgel met dans van Turkse derwisjen. Of zoals in Nijmegen met voortdurend succes: orgelconcerten waar het hele gezin welkom is.
Keuzes maken
Maar bij alles wat van de zijde van vele orgelliefhebbers én deskundigen al gebeurt, mag toch ook wel eens de vraag worden gesteld: hoe staat het met de inzet van de gelden van kerken en gemeenten naar de muziek toe, naar het orgel toe met name. Gaat dat voor het overgrote deel naar de bekostiging van predikantsplaatsen, naar die o zo noeste arbeiders in de wijngaard van de Heer, naar al die mannen en vrouwen, die het Woord verkondigen en de sacramenten van doop en avondmaal bedienen? Naar hen, die bovendien zich zo inzetten voor het pastoraat in de gemeente en in het toerustingwerk daarin. Of gaat daar ook een deel van naar die andere kant van het gemeenteleven: dat van het zingen en de muziek? Hebt u wel eens gedacht aan de mogelijkheid, dat een gemeente wel eens kon opbloeien als er ook anderen aan het werk zijn dan alleen maar prekende dominees en luisterende pastores?

Als een predikantsplaats moet worden opgeheven, om vaak heel urgente redenen, als na een periode van moeilijkheden tussen enige predikheren of predikdames één van de betrokkenen naar elders is vertrokken, wordt dan wel eens overwogen om met de vrijkomende gelden niet meteen weer een nieuwe predikant(e), maar een kundige organist en kerkmusicus, die van wanten weet, aan te trekken? U zou eens moeten meemaken, hoe soms na tijden van praten en praten, van de ene discussie na de andere een gemeente ervan opknapt, als de lofzang weer eens op de rechte wijze gaat opklinken.
Samen zingen over grenzen van opvattingen heen, samen oefenen daarin, samen luisteren naar muziek, die klinkt als een klok – het kan menig gemeenteleven nieuw elan geven. Kijk eens naar de kerken, waar naast wat ik nu maar noem de ‘normale’ zondagse diensten ook cantatediensten, orgelvespers, lieddiensten worden gehouden, doelgericht, welbewust, ze trekken mensen aan ook van buiten af, want lang, al te lang hebben we als protestantse gemeenten met nogal eens veel praatzucht de luisterende mensen van ons vervreemd.
Uit ervaring weet ik, hoe menig gemeenteleven ervan opknapt, als er een doelbewust samenspel optreedt van kansel en orgel, van voorganger en organist, van pastor en cantor. De Deense theoloog Regin Prenter heeft aan het eind van zijn tweedelige dogmatiek opgemerkt: ‘De organist op zijn vaak zo bescheiden verborgen bank is geen minder belangrijke dienaar in de eredienst dan de predikant op de zo gevaarlijk zichtbare kansel’.
De kerkmuziek
Zo keer ik terug bij mijn uitgangspunt, bij de muziek, de kerkmuziek, waarvoor het orgel dienstbaar is. Moet ook de Protestantse Kerk in Nederland niet eens zelf via haar synode, via haar diverse organen, ook via uw Vereniging kleur bekennen en over de brug komen, om te tonen, dat orgel en muziek haar ter harte gaan?

Dat zal alleen werkelijk van binnenuit en van harte gebeuren als er ook binnen onze gemeenten zelf iets op gang gaat komen als een stukje hartstocht voor het orgel. Weet de gemeente wel voldoende wat voor een kostbaar bezit zij in huis heeft, waar ze vaak met de rug naar toe gekeerd zit? Of heeft zij, net als soms zelfs al haar voorgangers het orgel de rug toegekeerd, zonder ooit beseft te hebben, zonder ooit eens echt gehoord te hebben, welke rijkdom ze bezit? Ik zou de pogingen om daar alsnog verandering in aan te brengen bepaald niet willen opgeven, integendeel.

Ik kon niet meer doen dan een paar zaken aanstippen. We zullen zo dadelijk met elkaar kunnen doorpraten. Nog één keer pak ik de draad op van het begin van mijn verhaal. In de vroegere berijming van Psalm 150 eindigde de 2e strofe met de woorden:

Laat zich ’t orgel overal
bij het juichend vreugdgeschal
tot des Heeren glorie paren!


Zo zingen we het doorgaans niet meer. ’t Orgel’ is weliswaar uit de berijming verdwenen. Maar bepaald niet uit de kerk. Er worden nog heel wat orgels prachtig onderhouden en vaak ook nog voorbeeldig gerestaureerd en in duizenden concerten per jaar bespééld. Laten we nu dus niet somber zijn: alleen al omdat het orgel staat voor ‘muziek’ is het een schakel met de wereld buiten de kerk en het voortbestaan een zaak van belang voor én de kerk én de samenleving. Laten we met creativiteit die schakel proberen te versterken.
Gedachtewisseling
Naar aanleiding van de inleiding van ds. Mudde kwamen in de twee sessies van de workshop over “kerkorgels” de volgende zaken aan de orde:

Vanuit Venlo kwam de vraag naar de betrokkenheid van de kerk bij een serieuze bezinning op de kerkmuziek. Is er wat veranderd door de kerkvereniging, of houdt iedereen vooralsnog vast aan de eigen traditie? Verwacht mag worden dat de Lutherse inbreng een stevige impuls zou kunnen geven aan het geheel van de Protestantse Kerk.
Ds. Mudde heeft de indruk dat er helaas nog niet echt veel is veranderd. Een project als het nieuwe liedboek moet een stuk invulling gaan geven aan vernieuwing. Maar er zijn veel meer aspecten die aandacht behoeven. Als er op termijn te weinig goede spelers zijn, hebben we alleen een aantal fraaie instrumenten die onvoldoende benut worden. Kerkmusici moeten ook communicatiever worden; ze moeten jeugd en anderen betrekken bij het orgel. De kerkdeuren moeten open. Ook de samenleving moet worden opgezocht. Voor velen is muziek van Bach bijvoorbeeld het “plafond” in de beleving van hun spiritualiteit. Daar kan de kerk bij aansluiten.

Gelukkig is het niet overal kommer en kwel. Er zijn diverse plaatsen in Nederland waar men prima initiatieven heeft op het gebied van de kerkmuziek. Uit de zaal kwamen onder meer de volgende voorbeelden: in de Laurenskerk te Rotterdam spelen topmusici met arbeidscontracten; in Nijmegen verzorgt een docente van de muziekschool de begeleiding, maar zij weet ook bredere aandacht te krijgen in de samenleving; in Arnhem is er een stichting voor cantatediensten met een grote toeloop op de uitvoeringen. Ook werd het educatieve hoorspel “Pijpen zoeken met Piet Prestant” genoemd. Dit hoorspel heeft ten doel jongeren met het orgel in contact te brengen.

Mede naar aanleiding van de inleiding van mevrouw Van Bijsterveld kwam het betrekken van de samenleving bij kerk en kerkmuziek aan de orde. Zaken die in dat kader werden genoemd waren onder andere: in sommige burgerlijke gemeenten kent men een stadsorganist, in Dordrecht heeft men recent ook een stadsorganist benoemd; kerk en orgel kunnen worden opgenomen in toeristische routes; orgel/ wandelconcerten (langs meerdere orgels).

Ds. Mudde, die in zijn inleiding bepleitte om niet alle geld van de gemeente in te zetten op pastoraat, maar om ook te zorgen voor voldoende middelen voor kerkmuziek, riep bij zijn toehoorders diverse reacties op, onder meer de volgende: ondanks een jaarlijks financieel tekort is er toch een organist in vaste dienst; het belang van investeren in kerkmuziek wordt onderkend, maar er zijn gewoonweg geen middelen; in het algemeen is de honorering van musici niet uitbundig, dit speelt niet alleen in de kerk, maar bijvoorbeeld ook bij een Concertgebouworkest; de honorering in de kerk is heel divers: de vrijwilligersregeling heeft een maximum, op arbeidsovereenkomst komt de vergoeding na aftrek van de werknemerslasten ook niet erg hoog uit.

Ook waren er wat vragen en/of opmerkingen ten aanzien van monumenten en de regelingen op dat gebied. Gewezen werd op de beleidsnota “Klinkende monumenten” die aangevraagd kan worden bij de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM). Bij de RACM is ook actuele informatie omtrent de nieuwe BRIM-regeling te vinden op de website (www.racm.nl).
Benadrukt werd dat de kerkelijke gemeente wel degelijk invloed heeft op de aard van de restauratie van kerkgebouw of orgel. Het rijk kan wel verbieden, maar niet alles voorschrijven. De begeleiding door een goede orgeladviseur — die is geliëerd met de Commissie Orgelzaken — is van groot belang bij werkzaamheden aan het orgel.

Wat losse zaken zijn: liturgie en muziek dienen onderdeel te zijn van het gemeentelijke beleidsplan; steeds minder organisten willen frequent spelen, er zijn dan ook gemiddeld steeds meer organisten nodig per gemeente; er wordt gedacht over “regiomusici”, meer gemeenten kunnen dan dezelfde musici inzetten; een andere optie is mentoren om een aantal instrumenten voldoende aandacht te kunnen geven.

Tot slot: in Hasselt is sprake van een opmerkelijk initiatief. Vrijwilligers bouwen daar met ondersteuning van een professionele orgelbouwer zelf een compleet orgel. Filmpjes, foto’s en informatie treft men aan op www. pknhasselt.nl, onder het onderwerp “orgelbouw”.
Kantoor der Kerkelijke Goederen
Donatus verzekeringen
U heeft geen Flash player geinstalleerd. Klik hier om deze te downloaden.
Van den Heuvel orgelbouw
Van Ree accountants
© Copyright 2010 VKB - Webdesign: Wendrich Reclame - Realisatie: BLiS & Quercis