Het orgel is de koningin van de instrumenten
Geschreven door Vkb Datum: 15-9-2008
Workshop 2, VKB-Congres 19 april 2008
Op de workshop over het orgel hield ds. H. Mudde een
inleiding, waarna er onder leiding van de heer prof.dr.
M.P. van Overbeeke RA een gedachtewisseling plaatsvond.
De heer H.L. Roth maakte het verslag.
Ds. Mudde is emeritus predikant, was van 1966 tot 2003
luthers predikant in Den Helder, Deventer, Zwolle, Den
Haag en Arnhem. Hij is o.a. lid van de Commissie Orgelzaken
van de VKB. Als oudste kleinzoon van Jan Zwart en
zoon van Willem Mudde, allebei organisten/kerkmusici, is
de belangstelling voor muziek hem met de paplepel ingegeven.
Ds. Mudde: Van Psalm 150, laatste lied van het Liedboek
van Israël, bestaat een uitleg, die mij is bijgebleven vanaf
het eerste moment dat ik haar tegenkwam, jaren
geleden. Die uitleg zei: kijk eens naar de muziekinstrumenten
in die Psalm genoemd.
Looft Hem met bazuingeschal,
looft Hem met harp en citer,
looft Hem met snarenspel en fluit,
looft Hem met klinkende cimbalen,
looft Hem met schallende cimbalen
alles wat adem heeft, love de Heer.
(Psalm 150 : 3-6, NBG vertaling 1951)
Verschillende geledingen
Die instrumenten zijn daar niet zomaar lukraak neergeschreven,
maar ze wijzen stuk voor stuk naar verschillende
geledingen van het volk Israël in die oude dagen,
naar de maatschappij van toen. De bazuin was bij uitstek
het instrument van de tempel. Tot in het Nieuwe Testament
toe: als op de jongste Dag de láátste bazuin zal
klinken.
Zo had de burgerij voor haar muziek de beschikking over
harp en citer. Het vrouwvolk danste bij het treden van de
druivenpers op de muziek van fluit en tamboerijn: zang
en ritme om de vaart erin te houden, arbeidsvitaminen
van toen. Zieken hadden hun ‘sláánde cimbalen’, naar de
zeer juiste Nieuwe Vertaling, met name de melaatsen,
verplicht om zich te laten horen om redenen van preventie:
‘Als je ons hoort met onze ratels, pas op, kom niet te
dicht in onze buurt’.
Met andere woorden: het Boek van de Psalmen besluit
met een oproep aan alle geledingen van Israël, van
geestelijk tot profaan, van hoog tot laag, man en vrouw,
ziek en gezond, jong en oud, om samen de lof van de
Eeuwige te zingen met gebruikneming van alle muzikale
middelen die er maar zijn.
De Eeuwige te loven
Met deze inzet begin ik vandaag welbewust. Om van
meet af aan u en mezelf weer eens te binnen te brengen,
dat we als kerk en gemeente van Jezus Christus in het
spoor van Israël niet alleen geroepen zijn om het Evangelie
te verkondigen met spreken en preken en om dat
goede Woord van Godswege te geloven in gehoorzaamheid
en navolging, maar om dat alles te doen al zingend
en musicerend — om van zondag tot zondag, als we
sámen zijn in bonte samenhang van mensen, de Eeuwige
te loven en te prijzen met alle mogelijke middelen van de
muziek. Dus als we het hier hebben over het orgel, dan
gaat het allereerst om muziek. Dat is om zo te zeggen
alleen al van groot belang naar de Eeuwige toe.
Maar het is ook van groot belang naar onszelf toe. Van
de enkele jaren geleden overleden, ook in ons land onder
theologen bekend geworden Friedrich-Wilhelm Marquardt,
is de zin: ‘Over God spreken kan alleen maar
zingend’. Wie weet herkent u dat in uw eigen wijze van
geloven en bezig zijn met de dingen van de kerk. Velen
valt het moeilijk om echt persoonlijk te spreken over wat
het Woord van God bij je teweegbrengt. Maar die
moeilijkheid valt soms zomaar weg zodra je gaat zingen,
als je in de kerk samen met anderen een Psalm inzet, een
lied aanheft. In de allermeeste gevallen gebeurt dat
samen mét en ondersteund dóór het orgel.
Calvinistische traditie
onze contreien is dat niet van meet af aan het geval
geweest. In de Calvinistische traditie van ons land heeft
het orgel in de kerkdiensten lang moeten zwijgen. De
Lutherse traditie, de andere stam waaruit de Protestantse
Kerk in Nederland is voortgekomen, stond van meet af
aan uitermate open voor het inschakelen van de muziek
als grote gave van God náást het Woord en dus uitermate
dienstbaar in en geschikt voor de verkondiging van
het Evangelie.
Koningin der instrumenten wordt het orgel terecht
genoemd. Geen ander instrument heeft zoveel verschillende
mogelijkheden. Soms bescheiden van omvang,
vaak indrukwekkend en monumentaal. Soms luid
aanwezig, dan weer ingetogen begeleidend. Op concerten
stoer en trots. Bespeling van het orgel vereist heel
wat vaardigheid. Aan de klavieren hebben de handen vol
werk, het pedaal mag, ja móet zelfs met voeten worden
getreden. Je ogen moeten in de partituur op de lessenaar
drie notenbalken tegelijk in de gaten houden. En wie
geen goede oren aan zijn hoofd heeft, zal nooit weg
weten met het kiezen van de nodige registraties, met het
mengen van de talloze variaties van klank en geluid en van hoe dat klinkt in altijd weer andere akoestische
verhoudingen.
Zorgen om het orgel
Maar ik sta hier niet alleen om de lof van het orgel te
zingen. We zijn hier ook samen omdat er vandaag de dag
toenemende zorgen zijn wegens het orgel. In aanschaf
vroeger al niet goedkoop, is het vandaag al nauwelijks
meer te betalen. Als er nog eens nieuwbouw plaatsvindt,
dan haalt zoiets zowaar het NOS journaal, zoals onlangs
bij de ingebruikneming van het nieuwe, zogeheten
‘Bachorgel’ in Dordrecht. Het orgel is ook bepaald niet
goedkoop in onderhoud. En U schrikt als kerkrentmeesters
elke keer weer als het op restauratie aankomt. Er
doemen steeds grotere zorgen op voor het restaureren
van de vele als monument erkende kerkorgels.
Twee jaar geleden werden de tot dat moment bestaande
subsidieregelingen opgeheven, te weten het Besluit
Rijkssubsidiëring Restauratie Monumenten van 1997,
afgekort BRRM. Net als het BROM: Besluit Rijkssubsidiëring
Onderhoud Monumenten. Die zijn inmiddels
vervangen door het BRIM, (zo zijn we gegaan van BROM
naar BRIM). Dat houdt in: Besluit Rijkssubsidiëring
Instandhouding Monumenten. Daarbij verliezen de
orgels hun relatief gesproken zelfstandige positie.
In het
BRIM ressorteren de orgels voortaan onder het gebouw
waarin ze staan opgesteld, meestal dus het kerkgebouw.
Het BRIM wordt in de komende jaren (vanaf 2009 tot en
met 2011) gefaseerd ingevoerd voor de kerkgebouwen
(dus inclusief de orgels). Tot dan blijft voor kerken en orgels nog even het BROM van kracht. Het al genoemde
BRRM is evenwel voorgoed opgeheven. Om voor een
aantal orgelrestauratie-opdrachten een vacuüm te
voorkomen, is er een zogeheten RRWR 2007 (Regeling
Rijkssubsidiëring Wegwerken Restauratieachterstand) in
het leven geroepen. En dat die inmiddels in werking is
gesteld, is mede te danken aan lobbywerk vanuit gezamenlijke
organisaties op het gebied van de orgelcultuur
en de orgelrestauratie.
(Diverse rapporten en regelingen zijn via de website van
de Rijksdienst voor de Archeologie, Cultuurlandschap en
Monumenten te raadplegen, c.q. te bestellen)
Vergrijzing onder organisten
Er zijn inmiddels ook toenemende zorgen over het bespelen
van de orgels. Waar halen we nu en vooral straks de
mensen vandaan, die dat kunnen? Wie hebben straks
nog verstand van die vaak schitterende, maar ook zo
ingewikkelde instrumenten? Het onlangs bekend
geworden KASKI-rapport (‘Onderzoek onder kerkmusici
en kerkmuzikale praktijken in de Protestantse Kerk in
Nederland’, oktober 2007) laat zorgwekkende geluiden
horen.
‘Het gaat niet goed met de kerkmuziek in Nederland’,
kopte zelfs een bepaald niet zo kerkelijk geïnteresseerde
krant als NRC-Handelsblad. 38 Procent van de 700
overigens allemaal parttime werkende professionals met
een conservatoriumopleiding is 55 jaar of ouder. Onder
de amateurs is de vergrijzing nog groter: meer dan de
helft van de ruim 3000 kerkmusici, zeg maar zowat
allemaal organisten, is ten minste 55 jaar. Amateurs
zullen het vooral moeten worden, lijkt het wel, om van
dilettanten nog maar te zwijgen. Belangrijke oorzaak zijn
de sterk afgenomen financiële middelen.
Ambachtelijkheid van orgelbouw en -onderhoud
Nog een zorg in samenhang hiermee betreft de toekomst
van de broodnodige ambachtelijkheid in orgelbouw en
orgelonderhoud. Zullen er nog voldoende bedrijven zijn met
verstand van onderhoud en restauratie? Zullen ze hun
vaardigheid voldoende op peil kunnen houden als ze af en
toe ook niet eens de vreugde te mogen beleven van de
bouw van een geheel nieuw instrument? Nu moeten ze hun
creatieve en o zo ambachtelijke vreugde nogal eens opdoen
met een opdracht vanuit het buitenland, vanuit delen van
de wereld, waar kerken niet slinken, maar integendeel
groeien en bloeien dat het een lieve lust is.
Uiteraard zijn er instanties, die zich momenteel bezighouden
met de genoemde problematiek. Daar is intussen
weer het ISOK, Interkerkelijke Stichting Opleiding
Kerkmuziek, actieve opvolgster van het voormalige
Nederlands Instituut voor Kerkmuziek na een aanvankelijke
glorieuze start met steun van de toenmalige overheid,
maar helaas al tamelijk gauw in heel stil vaarwater
verzeild geraakt. Daar is ook de aandacht van de zijde
van de twee voor onze Protestantse Kerk van belang
zijnde organisaties, de KNOV, de Koninklijke Nederlandse
Organisten Vereniging en de GOV, de Gereformeerde
Organisten Vereniging. Die zijn op weg om volgend jaar
een fusie aan te gaan.
Er worden pogingen gedaan vanuit een aantal organisaties
binnen het wereldje van de Protestantse kerkmuziek,
organisatorisch nogal versnipperd, om voet aan de grond
te krijgen bij de nieuwgevormde PThU, de Protestantse
Theologische Universiteit, teneinde aanstaande theologen
beter op te leiden met besef en kennis van kerklied
en muziek als zinvol voor de beleving van geloof en
liturgie. Omgekeerd worden er pogingen gedaan om aan
de bestaande muziekopleidingen, zoals conservatoria en
muziekscholen, ook aandacht te geven aan de theologische
en spirituele aspecten van de muziek, zoals die
eeuwenlang in de muziekgeschiedenis aan de orde zijn
geweest.
Regionale consulenten
Vanuit de COZ, de Commissie Orgelzaken van de Vereniging
voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de Protestantse
Kerk in Nederland, worden pogingen gedaan om zoiets
als netwerken op te zetten van en rondom regionale
consulenten, die sleutelfiguren zouden kunnen worden
(als ze dat op menige plek van ons land al niet zijn) in
aandacht en zorg voor het orgelbestand in hun omgeving,
de streek waarin ze wonen en waar ze vaak grote
kennis van dragen.
Uiteraard dienen pogingen om nog veel meer dan al
geschiedt de niet-kerkelijke omgeving van onze kerken
en gemeenten, regionale en plaatselijke overheden, in
contact te brengen met het o zo waardevolle orgelbestand,
waaraan ons land zo rijk is. Heel wat kerkdeuren
gaan inmiddels open ook in dit opzicht, na vaak vooral
door de week vaak hermetisch gesloten te zijn geweest.
Hier en daar vinden concerten plaats niet met louter en
alleen orgelmuziek, maar orgel in combinatie met poëzie
(Groningen), orgel in combinatie met dans, ballet,
theater (Utrecht). Soms zelfs orgel met andere dan
christelijke elementen, zoals onlangs in Deventer: orgel
met dans van Turkse derwisjen. Of zoals in Nijmegen met
voortdurend succes: orgelconcerten waar het hele gezin
welkom is.
Keuzes maken
Maar bij alles wat van de zijde van vele orgelliefhebbers
én deskundigen al gebeurt, mag toch ook wel eens de
vraag worden gesteld: hoe staat het met de inzet van de
gelden van kerken en gemeenten naar de muziek toe,
naar het orgel toe met name. Gaat dat voor het overgrote
deel naar de bekostiging van predikantsplaatsen,
naar die o zo noeste arbeiders in de wijngaard van de
Heer, naar al die mannen en vrouwen, die het Woord
verkondigen en de sacramenten van doop en avondmaal
bedienen? Naar hen, die bovendien zich zo inzetten voor
het pastoraat in de gemeente en in het toerustingwerk
daarin. Of gaat daar ook een deel van naar die andere
kant van het gemeenteleven: dat van het zingen en de
muziek? Hebt u wel eens gedacht aan de mogelijkheid,
dat een gemeente wel eens kon opbloeien als er ook
anderen aan het werk zijn dan alleen maar prekende
dominees en luisterende pastores?
Als een predikantsplaats moet worden opgeheven, om
vaak heel urgente redenen, als na een periode van
moeilijkheden tussen enige predikheren of predikdames
één van de betrokkenen naar elders is vertrokken, wordt
dan wel eens overwogen om met de vrijkomende gelden
niet meteen weer een nieuwe predikant(e), maar een
kundige organist en kerkmusicus, die van wanten weet,
aan te trekken? U zou eens moeten meemaken, hoe soms
na tijden van praten en praten, van de ene discussie na
de andere een gemeente ervan opknapt, als de lofzang
weer eens op de rechte wijze gaat opklinken.
Samen zingen over grenzen van opvattingen heen,
samen oefenen daarin, samen luisteren naar muziek, die
klinkt als een klok – het kan menig gemeenteleven nieuw
elan geven. Kijk eens naar de kerken, waar naast wat ik
nu maar noem de ‘normale’ zondagse diensten ook
cantatediensten, orgelvespers, lieddiensten worden
gehouden, doelgericht, welbewust, ze trekken mensen
aan ook van buiten af, want lang, al te lang hebben we
als protestantse gemeenten met nogal eens veel praatzucht
de luisterende mensen van ons vervreemd.
Uit ervaring weet ik, hoe menig gemeenteleven ervan
opknapt, als er een doelbewust samenspel optreedt van
kansel en orgel, van voorganger en organist, van pastor
en cantor. De Deense theoloog Regin Prenter heeft aan
het eind van zijn tweedelige dogmatiek opgemerkt: ‘De
organist op zijn vaak zo bescheiden verborgen bank is
geen minder belangrijke dienaar in de eredienst dan de
predikant op de zo gevaarlijk zichtbare kansel’.
De kerkmuziek
Zo keer ik terug bij mijn uitgangspunt, bij de muziek, de
kerkmuziek, waarvoor het orgel dienstbaar is. Moet ook
de Protestantse Kerk in Nederland niet eens zelf via haar
synode, via haar diverse organen, ook via uw Vereniging kleur bekennen en over de brug komen, om te tonen, dat
orgel en muziek haar ter harte gaan?
Dat zal alleen werkelijk van binnenuit en van harte
gebeuren als er ook binnen onze gemeenten zelf iets op
gang gaat komen als een stukje hartstocht voor het
orgel. Weet de gemeente wel voldoende wat voor een
kostbaar bezit zij in huis heeft, waar ze vaak met de rug
naar toe gekeerd zit? Of heeft zij, net als soms zelfs al
haar voorgangers het orgel de rug toegekeerd, zonder
ooit beseft te hebben, zonder ooit eens echt gehoord te
hebben, welke rijkdom ze bezit? Ik zou de pogingen om
daar alsnog verandering in aan te brengen bepaald niet
willen opgeven, integendeel.
Ik kon niet meer doen dan een paar zaken aanstippen.
We zullen zo dadelijk met elkaar kunnen doorpraten.
Nog één keer pak ik de draad op van het begin van mijn
verhaal. In de vroegere berijming van Psalm 150 eindigde
de 2e strofe met de woorden:
Laat zich ’t orgel overal
bij het juichend vreugdgeschal
tot des Heeren glorie paren!
Zo zingen we het doorgaans niet meer. ’t Orgel’ is
weliswaar uit de berijming verdwenen. Maar bepaald
niet uit de kerk. Er worden nog heel wat orgels prachtig
onderhouden en vaak ook nog voorbeeldig gerestaureerd
en in duizenden concerten per jaar bespééld. Laten
we nu dus niet somber zijn: alleen al omdat het orgel
staat voor ‘muziek’ is het een schakel met de wereld
buiten de kerk en het voortbestaan een zaak van belang
voor én de kerk én de samenleving. Laten we met
creativiteit die schakel proberen te versterken.
Gedachtewisseling
Naar aanleiding van de inleiding van ds. Mudde kwamen
in de twee sessies van de workshop over “kerkorgels” de
volgende zaken aan de orde:
Vanuit Venlo kwam de vraag naar de betrokkenheid van
de kerk bij een serieuze bezinning op de kerkmuziek. Is
er wat veranderd door de kerkvereniging, of houdt iedereen
vooralsnog vast aan de eigen traditie? Verwacht mag
worden dat de Lutherse inbreng een stevige impuls zou
kunnen geven aan het geheel van de Protestantse Kerk.
Ds. Mudde heeft de indruk dat er helaas nog niet echt
veel is veranderd. Een project als het nieuwe liedboek
moet een stuk invulling gaan geven aan vernieuwing.
Maar er zijn veel meer aspecten die aandacht behoeven.
Als er op termijn te weinig goede spelers zijn, hebben we
alleen een aantal fraaie instrumenten die onvoldoende
benut worden. Kerkmusici moeten ook communicatiever
worden; ze moeten jeugd en anderen betrekken bij het
orgel. De kerkdeuren moeten open. Ook de samenleving
moet worden opgezocht. Voor velen is muziek van Bach
bijvoorbeeld het “plafond” in de beleving van hun
spiritualiteit. Daar kan de kerk bij aansluiten.
Gelukkig is het niet overal kommer en kwel. Er zijn
diverse plaatsen in Nederland waar men prima initiatieven
heeft op het gebied van de kerkmuziek. Uit de zaal
kwamen onder meer de volgende voorbeelden: in de
Laurenskerk te Rotterdam spelen topmusici met arbeidscontracten;
in Nijmegen verzorgt een docente van de
muziekschool de begeleiding, maar zij weet ook bredere
aandacht te krijgen in de samenleving; in Arnhem is er
een stichting voor cantatediensten met een grote
toeloop op de uitvoeringen. Ook werd het educatieve
hoorspel “Pijpen zoeken met Piet Prestant” genoemd. Dit
hoorspel heeft ten doel jongeren met het orgel in
contact te brengen.
Mede naar aanleiding van de inleiding van mevrouw Van
Bijsterveld kwam het betrekken van de samenleving bij kerk
en kerkmuziek aan de orde. Zaken die in dat kader werden
genoemd waren onder andere: in sommige burgerlijke
gemeenten kent men een stadsorganist, in Dordrecht heeft
men recent ook een stadsorganist benoemd; kerk en orgel
kunnen worden opgenomen in toeristische routes; orgel/
wandelconcerten (langs meerdere orgels).
Ds. Mudde, die in zijn inleiding bepleitte om niet alle
geld van de gemeente in te zetten op pastoraat, maar
om ook te zorgen voor voldoende middelen voor
kerkmuziek, riep bij zijn toehoorders diverse reacties op,
onder meer de volgende: ondanks een jaarlijks financieel
tekort is er toch een organist in vaste dienst; het belang
van investeren in kerkmuziek wordt onderkend, maar er
zijn gewoonweg geen middelen; in het algemeen is de
honorering van musici niet uitbundig, dit speelt niet
alleen in de kerk, maar bijvoorbeeld ook bij een Concertgebouworkest;
de honorering in de kerk is heel divers: de
vrijwilligersregeling heeft een maximum, op arbeidsovereenkomst
komt de vergoeding na aftrek van de werknemerslasten
ook niet erg hoog uit.
Ook waren er wat vragen en/of opmerkingen ten aanzien
van monumenten en de regelingen op dat gebied.
Gewezen werd op de beleidsnota “Klinkende monumenten”
die aangevraagd kan worden bij de Rijksdienst voor
Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM).
Bij de RACM is ook actuele informatie omtrent de nieuwe
BRIM-regeling te vinden op de website (www.racm.nl).
Benadrukt werd dat de kerkelijke gemeente wel degelijk
invloed heeft op de aard van de restauratie van kerkgebouw
of orgel. Het rijk kan wel verbieden, maar niet alles
voorschrijven. De begeleiding door een goede orgeladviseur
— die is geliëerd met de Commissie Orgelzaken — is
van groot belang bij werkzaamheden aan het orgel.
Wat losse zaken zijn: liturgie en muziek dienen onderdeel
te zijn van het gemeentelijke beleidsplan; steeds
minder organisten willen frequent spelen, er zijn dan ook
gemiddeld steeds meer organisten nodig per gemeente;
er wordt gedacht over “regiomusici”, meer gemeenten
kunnen dan dezelfde musici inzetten; een andere optie is
mentoren om een aantal instrumenten voldoende
aandacht te kunnen geven.
Tot slot: in Hasselt is sprake van een opmerkelijk initiatief.
Vrijwilligers bouwen daar met ondersteuning van
een professionele orgelbouwer zelf een compleet orgel.
Filmpjes, foto’s en informatie treft men aan op www.
pknhasselt.nl, onder het onderwerp “orgelbouw”.