Naar een verantwoord beleid
Geschreven door Vkb Datum: 15-1-2009
Van kerkrentmeesters wordt verwacht dat zij realistisch
zijn en realistisch denken. Gewoon op grond van de
praktijk van alledag gedurende de afgelopen paar jaar
een lijn uitzetten naar de komende jaren. Het zijn immers
de kerkrentmeesters die volgens de kerkorde belast zijn
met de verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden
van de gemeente, voorzover niet van diaconale
aard. Dus is plannen maken hen op het lijf geschreven.
Daarbij gaat het globaal om zaken als het personeelsbeleid (predikant, koster, organist), het beheer van de gebouwen, het beheer van gelden en goederen. Al deze onderdelen kosten geld en daarom speelt het college van kerkrentmeesters ook een belangrijke rol bij de geldwerving die in de meeste gemeenten jaarlijks onder de naam Kerkbalans wordt gehouden.
In veel gemeenten is er sprake van ledenverlies. De jaarlijkse statistieken van de SMRA geven dit aan. Al vele jaren is de ervaring bij Kerkbalans: “Minder mensen geven meer”. Dus ondanks een lager aantal bijdragers wordt er in de meeste gemeenten nominaal méér gegeven. Maar gaat deze ontwikkeling elk jaar door? Wanneer komt het moment dat minder mensen inderdaad nominaal minder gaan geven?
Verbreding draagvlak
Enkele jaren geleden heeft de Interkerkelijke Commissie Geldwerving (ICG) een onderzoek laten instellen naar een nieuwe communicatiestrategie voor de plaatselijke geldwerving. Sinds 2006 zijn de onderzoeksresultaten van deze nieuwe communicatiestrategie bekend en wordt via Kerkbalans adviseurs (vrijwilligers die alleen tegen reiskostenvergoeding werken) deze nieuwe methode onder de naam “Kerkbalans Nieuwe Stijl” of “Verbreden en verdiepen” onder de aandacht van de colleges van kerkrentmeesters gebracht.
De opzet is duidelijk: “Verbreden” wil zeggen: de groep bijdragers proberen uit te breiden door randkerkelijken via een speciale methode te benaderen en “Verdiepen” houdt in dat van de bestaande groep bijdragers per categorie méér wordt gevraagd.
Maar om tot een verantwoord beleid naar de toekomst te komen, is dit niet voldoende. De penningmeester van de VKB, tevens penningmeester van de Raad voor de Plaatselijke Geldwerving (RPG), de heer G.L. Westerveld zei daarover vorig jaar in “Kerkbeheer” het volgende:
“De RPG buigt zich over de vraag hoe in 2025 de plaatselijke gemeenten er financieel voorstaan en op welke wijze zij in hun onderhoud moeten voorzien. De plaatselijke gemeenten moeten zich bewust zijn van het feit dat we in een snel veranderende samenleving leven en dat gewoon extrapoleren niet meer mogelijk is. Gebruikelijk is dat een college zijn begroting maakt en dan kijkt naar de begroting van het jaar daarvoor. De RPG verwacht dat wanneer we dat over een jaar of vijf volgens dezelfde methode doen, we dan voor onaangename verrassingen komen te staan. dus hebben we gezegd dat je op basis van de huidige gegevens aan een soort scenario-denken moet beginnen.”
Meten is weten
In “Woord en Dienst” van 29 augustus 2008, waarin
eveneens een interview met de heer Westerveld is
opgenomen, zegt hij: “Wij zijn ook verantwoordelijk
voor de evangelieverkondiging in de toekomst. Zoals wij
onze kinderen iets nalaten, kunnen wij dat ook als het
gaat om de verkondiging van het evangelie. Onze
voorouders hebben het ons, naast het evangelie, de
gebouwen en andere bezittingen, nagelaten. Wat doen
wij? Hoe ver willen wij kijken? Alleen naar dit jaar of ook
naar de toekomst? Zorg dat je statistische gegevens hebt,
zodat je trends kunt signaleren en er op in kunt spelen.
Hoe ga je om met de vergrijzing in je gemeente? Hoe is
de financiële ontwikkeling en hoe valt het ongunstige
getij te keren?”
Ook al lijkt 2025 nog ver weg, het is een belangrijk
hulpmiddel voor kerkrentmeesters om een prognose voor
de komende jaren te maken. Niet omdat de kerkorde dat
ook — in wat andere woorden — voorschrijft, maar
gewoon omdat het erg noodzakelijk is met het oog op
het voortbestaan van de gemeente.
Wat zeggen de cijfers ons?
Om een verantwoord financieel beleid te voeren, is het
altijd van belang om even terug te zien naar de afgelopen
jaren hoe bepaalde trends zich gezet hebben. Dat is
o.m. het geval van het verloop van het ledental, het
aantal bijdragers, de inkomsten levend geld (namelijk die
inkomsten die rechtstreeks uit de portemonnee van de
gemeenteleden komen, de totale inkomsten. Maar ook:
hoe is het met de uitgaven gesteld, de traktementskosten,
eventuele overige personeelskosten (koster, organist,
e.d.) de voorzieningen voor het kerkgebouw, onderhoud
e.d.
Verder is het van belang te weten:
a. hoe de leeftijdsopbouw is;
b. hoe het geefgedrag in de verschillende leeftijdcategorieën
is;
c. hoe de leeftijdsopbouw in de burgerlijke gemeente er
uitziet;
d. of er sprake is van groei of van krimp, zowel burgerlijk
als kerkelijk;
e. of er sprake is van een jonge gemeente in de optiek
van de gemeentebestuurders, of is het een wat
oudere gemeente en waar richt men zich op bij
toekomstige woningbouwplanning.
En wat doen we er vervolgens mee?
Wanneer de cijfers uit het verleden, van b.v. de jaren
2005, 2006 en 2007, in beeld worden gebracht,kunnen
we, zeker wanneer er duidelijkheid bestaat over de
hiervoor genoemde informatie, een vrij betrouwbare lijn
uitzetten naar de jaren 2009 - 2012. Op grond van dat
resultaat zullen er keuzes moeten worden gemaakt,
zoals:
— kunnen we de jaarlijkse stijging van de lasten opbrengen
door jaarlijkse verhoging van de vrijwillige
bijdragen, waarbij rekening wordt gehouden met de
ontwikkeling van het aantal leden, de leeftijdsopbouw,
groeimogelijkheden van de burgerlijke
gemeente, enz.?
— wanneer dat niet kan, ziet de gemeente kans om b.v.
met behulp van een legatenbeleid jaarlijks extra
gelden te genereren die belegd worden en waarvan
de resultaten aan de exploitatierekening van de
kerkelijke gemeente worden toebedeeld?
— wanneer de gemeente geen kans ziet om structureel
jaarlijks extra middelen bijeen te krijgen, is het dan
denkbaar dat wanneer de predikant over een paar
jaar vertrekt, er geen fulltime predikant, maar een
parttime predikant wordt aangesteld? Of denken we
aan samenwerking met een omliggende kerkelijke
gemeente?
— alle activiteiten door vrijwilligers laten verrichten in
plaats van betaalde functionarissen (kosters en
kosters-beheerder).
— hoe wordt met het onroerend goed omgegaan.
Wordt dit verkocht en wordt de opbrengst wellicht op
een wijze belegd waardoor meer rente-inkomsten
dan pachtopbrengsten kan worden verkregen?
Keuzes maken
Om deze aspecten goed in beeld te brengen, is het
maken van keuzes onontkoombaar. Dat betekent dat
dergelijke vragen en opmerkingen tijdens een gemeenteavond
aan de orde moeten komen. Maak de gemeenteleden
duidelijk waarom er van hen straks weer méér
gevraagd wordt voor Kerkbalans.
Maak hen deelgenoot van het probleem waar uw college
van kerkrentmeesters en in feite de kerkenraad mee
geconfronteerd worden.
In eerste instantie is het natuurlijk gewenst om te zoeken
naar groeimogelijkheden van de inkomsten en ook in die
van de vrijwillige bijdragen. De nieuwe communicatiestrategie
“Verbreden en verdiepen” biedt daarvoor goede
mogelijkheden. De colleges van kerkrentmeesters die in het
afgelopen jaar (onderdelen van) deze communicatiestrategie
toepasten, zagen hun inkomsten soms relatief fors stijgen.
Zo ontstaat er een heel scala van beleidspunten, die
tegelijkertijd ook pijnpunten kunnen blijken te zijn. Elk
element vraagt en verdient aandacht. Pas daarna kunnen
voorgenomen besluiten worden geformuleerd, die
(opnieuw) met de leden van de gemeente moeten
worden besproken en soms ook nog, volgens de kerkorde,
voorgelegd dienen te worden aan het Regionale
College voor Beheerszaken (RCBB).
Kerkrentmeesters aan het woord
In de komende tijd zal de redactie van “Kerkbeheer” met
een aantal colleges van kerkrentmeesters uit het gehele
land in gesprek gaan om, op basis van de cijfers van de
afgelopen jaren en de prognose voor de komende jaren,
in beeld te krijgen wat er de komende jaren gedaan
moet worden om de financiën in evenwicht te houden.