Organisatie en financiën van de Kerk zijn in balans
Geschreven door R.M. Belder Datum: 15-7-2008
Op 23 april 2008 hield de afdeling Zeeland haar ledenvergadering
in het Dorpshuis te ’s-Gravenpolder. De voorzitter
van de afdeling, de heer C.M. van den Boomgaard,
kon een 45tal kerkrentmeesters verwelkomen en de
algemeen directeur van de Dienstenorganisatie, heer
H. Feenstra, die een inleiding zou houden over het beleid
en de financiën van de landelijke kerk.
ALGEMEEN DIRECTEUR DIENSTENORGANISATIE OP LEDENVERGADERING AFDELING ZEELAND
Voordat de heer Feenstra het woord kreeg, werd een
aantal huishoudelijke zaken afgewerkt, waaronder de
jaarstukken 2007. Verder werd de begroting 2008
vastgesteld. Met betrekking tot de notulen van de
ledenvergadering van 25 mei 2007 merkte de voorzitter
op dat per abuis vermeld is dat de heren Clarisse en
Moerland periodiek aftredend waren. Dat is voor 2008
het geval. Beide heren, die zich voor een nieuwe periode
beschikbaar stelden, werden herbenoemd.
Verder zou de voorzitter graag zien dat alle gewesten
van Zeeland in het afdelingsbestuur vertegenwoordigd
zijn. Op Walcheren na is dat het geval. Staande de
vergadering werd de heer De Buk (Zoutelande)
benoemd. Na een daarna volgende pauze kreeg de heer
Feenstra het woord.
Visie en beleid
De heer Feenstra herinnerde er aan dat er bij zijn
aantreden tekorten waren, zodat het dringend noodzakelijk
was de tering naar de nering te zetten. Er moest
dringend bezuinigd worden, waarbij rekening moest
worden gehouden met het feit dat de Dienstenorganisatie
en de ambtelijke structuur gehandhaafd zouden
blijven tot de evaluatie van de kerkorde, die voor 2009
gepland staat. Maar de Dienstenorganisatie moest
ondertussen wel afslanken. Belangrijk was dat er een
visie kwam hoe de Protestantse Kerk in Nederland (PKN),
die jaarlijks ledenverlies lijdt, er over 10 jaar uit ziet. Wat
is daarvoor nodig en is dat betaalbaar?
De synode stelde vervolgens een visienota op met als titel
“Leren leven van de verwondering”. Daarin stelde zij zich
op het standpunt dat de PKN een aanstekelijke en
aansprekelijke kerk behoort te zijn, die zoekt naar
kansen voor nieuwe vormen van kerk zijn. Het actief
uitdragen van de bijbelse boodschap is daarbij een eerste
vereiste. Verder zal er sterk ingezet moeten worden op
de jeugd en jongeren. Inmiddels is het zo dat slechts 3
pct. van het quotum aan het jeugdwerk wordt besteed.
Aanpassen
Het uitdragen van deze visie en de vertaling daarvan
naar de dagelijkse praktijk, vraagt een aanpassing van de
organisatie, die, zoals ook bij veel gemeenten het geval
is, aangepast moet worden aan de omvang van een
krimpende organisatie. Er is becijferd dat het ledental tot
2015 met zo’n 25 pct. daalt. Om de organisatie daarop af
te stemmen, moet het quotum nominaal naar beneden.
Maar tegelijkertijd daalt het aantal professionals in de
gemeenten. Steeds meer werkzaamheden moeten door
vrijwilligers worden gedaan. Dienstverlening vanuit de
Dienstenorganisatie naar de gemeenten toe, zal een
kwestie van maatwerk zijn.
Duidelijk werd dat veel werk vanuit een centrale locatie
verricht moest worden met als gevolg dat de negen
regionale dienstencentra zouden moet sluiten. Dat zou
niet alleen een fors bedrag aan huisvestingskosten
opleveren, maar bovendien een verhoging van de
capaciteit van de directe dienstverlening en minder
overhead. In de oude situatie werd door functionarissen
te veel tijd en energie gestoken in vergaderingen en
bijeenkomsten. In de nieuwe situatie moet er een
centrale functionaris zijn die gemeenteadviseur is.
Op basis van het principe “waaraan heeft de gemeente
behoefte?” zal er gewerkt moeten worden. Aan de
gemeenten zal een basispakket worden aangeboden
dat enkele diensten zal bevatten, maar voor extra
diensten zal zij een nota van de Dienstenorganisatie
gepresenteerd krijgen. Verder moet er meer gebruik
worden gemaakt van de digitale vorm van communiceren
in plaats van gebruik te maken van de grote hoeveelheid
schriftelijke stukken die vaak worden aangeboden.
Flexibilisering
Ook zal er meer gewerkt moeten worden aan een
flexibilisering b.v. in de sfeer van een mobiliteitsbureau
van predikanten en kerkelijke werkers. Denkbaar is dat
wanneer een gemeente erg lang vacant is, zij vanuit een
uitzendbureau van predikanten een interim-predikant
krijgt aangeboden die direct aan de slag gaat, waardoor
de gemeente als gevolg van een vacatureperiode geen
schade ondervindt. Verder wees de heer Feenstra er op
dat de Kerk de grootste vrijwilligersorganisatie van ons
land is. Maar ondanks dat wordt er relatief weinig in
mensen geïnvesteerd. De Kerk zal dus meer in de vorm
van een kaderschool aan Vorming en Toerusting van haar
vrijwilligers moeten doen.
De heer Feenstra deelde mee dat er fors is bezuinigd. Het
managementteam is drastisch verkleind van 15 naar 5
lijnfunctionarissen. Het aantal regionale dienstencentra
van negen is teruggebracht naar vier steunpunten. Dat
bespaart een bedrag van € 650.000,-- aan huisvestingskosten.
De gemeenteadviseurs richten hun aandacht
geheel op de plaatselijke gemeenten.
Dienstenorganisatie is penningmeester van de kerk
De heer Feenstra herinnerde er in dit verband nog eens
aan dat binnen de huidige structuur zoals die in de
Protestantse Kerk in Nederland is ingebed, de Dienstenorganisatie
moet worden gezien als de penningmeester
van de Kerk. Volgens de huidige regelgeving ligt de
bevoegdheid om geld uit te geven, geheel bij het Bestuur
van de Dienstenorganisatie. Er zijn in dit verband vier
programmalijnen, namelijk:
— de institutionele ondersteuning;
— het programma van Kerken in actie;
— het programma van JOP; en
— het programma kerk in ontwikkeling, waarbij ook het
werk vanuit de vier steunpunten Noord (Rouveen),
Midden (Utrecht), Zuidoost (Angerlo) en Zuidwest
(Heerjansdam) wordt betrokken.
Samenwerking
De heer Feenstra was van mening dat er veel meer
samengewerkt moet worden met diverse organisaties die
aan het kerkenwerk gelieerd zijn. Alle modalitaire
uitvoeringsorganisaties zoals de IZB, GZB, HGJB en het
Evangelisch Werkverband krijgen alle ruimte om samen
met elkaar tot opbouw van de Kerk beschikbaar te zijn.
Het doel van de Kerk zal daarbij vooral de missionaire
presentatie zijn. Tenslotte is er een grotere behoefte om
veel meer samen te werken met de allochtone kerken in
Nederland. De Protestantse Kerk in Nederland zal zich op
haar kerntaak van de zending moeten concentreren, als
een roepende kerk, waar gemeenten en christenen
vrijmoedig verantwoording afleggen en getuigenis geven
van het Evangelie.
De heer Feenstra constateerde tenslotte dat er in de
komende tijd meer gepionierd moet worden en minder
gepolderd in het binnenlandse zendingswerk. Aan de
dienstverlening worden hoge eisen gesteld. Er zal geen
euro meer worden uitgegeven aan zaken waarvoor geen
beleidsplan is ingediend. Verder zal er de nodige aandacht
moeten worden besteed aan vorming en toerusting
in de gemeenten.
In het kader van het landelijk missionair werk zijn er voor
2009 vijf landelijke pioniers nodig en in 2011 zullen dat
er 10 zijn. Er wordt veel bezuinigd, maar voor dit nieuwe
beleid dat heilzaam is voor onze gemeenten, wordt extra
geld uitgetrokken, zo besloot de heer Feenstra.
Landelijke ledenregistratie
De inleiding van de heer Feenstra liet aan duidelijkheid
niets te wensen over. Duidelijk en zorgvuldig presenteerde
hij de zaken die gebaseerd waren op de visie van de
synode. Dat was dan ook de reden dat vanuit de protestantse
gemeente van Veere geen vraag gesteld werd over
zijn inleiding, maar over de Landelijke Leden Registratie
(LLR).
De heer Feenstra gaf een uiteenzetting van de gang van
zaken. Hij wees op het verschil van ledenregistratie
tussen hervormden en gereformeerden. Het gereformeerde
systeem was sterk plaatselijk georiënteerd, in
tegenstelling tot dat van het hervormde dat, daarnaast
te kampen had met randkerkelijken. Doordat bij verhuizing
gereformeerde leden in toenemende mate hun
attestatie niet meer afhaalden, verloren de gereformeerde
kerken relatief veel leden. De randkerkelijkheid bij de
gereformeerde kerken was ook in gang gezet.
Duidelijk was dat de toenmalige apparatuur, waarover de
SMRA destijds beschikte, niet kon voldoen om een
integratie van de verschillende systemen te realiseren op
basis van de nieuwe kerkorde. Daarom werd een nieuw
project opgestart, waarmee op basis van de verwachtingen
in november 2006 een bedrag van € 2,6 miljoen
gepaard zou gaan. Het budget werd verhoogd en de
structuur ingrijpend gewijzigd. Leden van het bestuur
van de SMRA hebben toen hun functie ter beschikking
gesteld en werden bedankt voor de bewezen diensten,
waarna de gehele organisatie onder de Dienstenorganisatie
van de Protestantse Kerk in Nederland werd
gebracht. De algemeen directeur werd eindverantwoordelijk
voor het geheel.
Definitieve keuze maken
In juni 2007 zou een uitrol komen. Maar de pilot was niet
gelukt, omdat bleek dat het nieuwe systeem te traag
werkte, terwijl het bovendien erg gebruikersonvriendelijk
was.
De heer Feenstra kondigde aan dat in de synode van juni
2008 de kwestie opnieuw aan de orde komt. Dan moet er
duidelijkheid zijn over de vraag of er met het systeem
van de Landelijke Leden Registratie gestopt moet
worden. Zowel het Moderamen van de generale synode
als het Bestuur van de Dienstenorganisatie zijn van
mening dat de Kerk niet zonder een goede landelijke
ledenregistratie kan. Verder is het denkbaar een koppeling
tot stand te brengen aan een lokaal pakket (Baruch
of Scipio), dan wel dat er gestopt wordt en dat er een
herstart wordt gemaakt.
Complex
De heer Feenstra wees er voor de goede orde op dat de
ledenregistratie en de regelgeving daar omheen, erg
complex van aard is. Men heeft te maken met verschillende
modaliteiten, terwijl er in diverse gemeenten
gemeenteleden zijn die hun voorkeur voor kerkelijke
betrokkenheid in andere (wijk)gemeenten hebben
doorgegeven. Naast het lidmaatschap en het soort lid,
kent de Kerk nog het begrip van pastorale eenheid. Dat
vereist een intelligent systeem, waaraan dan ook daadwerkelijk
gewerkt wordt. Maar hoe intelligenter het
systeem, des te trager werkt het en des te groter is de
kans op fouten aanwezig bij updates.
Wat er in juni 2008 ook over de landelijke ledenregistratie
gezegd wordt, het is altijd slecht nieuws, want, na de
pas op de plaats die nu gemaakt is, zullen er vervolgstappen
moeten worden gezet. En die stappen kosten geld.
“Numeri doet nu eenmaal niet waarvan de kerk dacht
dat het aanvankelijk wel zou kunnen”, aldus de heer
Feenstra.
Scipio of afwachten?
De kerkrentmeester van Koudekerke vroeg wat verstandig
is. Of nu over te gaan tot de aanschaffing van Scipio,
of nog even afwachten. De heer Feenstra vond het beter
om nog tot juni 2008 te wachten.
Een kerkrentmeester van Kortgene merkte op dat de
kerk misschien teveel van het systeem Numeri verlangt.
De heer Feenstra deelde mee dat de uitgangspunten voor
een functioneel ontwerp verankerd liggen in de kerkorde
die zonder meer gevolgd moet worden. De ambities van
dit project waren zeer hoog gespannen.
De heer Mooijaart (bestuurslid afdeling Zeeland) had met
belangstelling kennis genomen van het organogram dat
de heer Feenstra toonde. Hij zou graag zien dat dit soort
waardevolle informatie kerkbreed in de kerk wordt
vertoond. Hij denkt in dit verband aan de classicale
vergaderingen. De heer Feenstra deelde mee dat hij
regelmatig op classicale vergaderingen verschijnt.
Overigens heeft hij de redactie van “Kerkbeheer”
toegezegd dat zij de beschikking krijgt over een digitale
versie van dit schema.
Reserves
Naar aanleiding van een opmerking dat het bij de
Protestantse Kerk in Nederland aan goede communicatie
ontbreekt, deelde de heer Feenstra mee dat deze
misschien voor verbetering vatbaar is. Overigens heeft de
Protestantse Kerk in Nederland, ondanks andere geruchten,
haar financiën geheel op orde.
De klacht die nogal eens geuit wordt dat zij “aan het
potverteren is” is totaal ongegrond. De kerk heeft in de
afgelopen jaren diverse bestemmingsreserves ontvangen
die, op basis van hun bestemming voor het doel waarvoor
ze door de erflater zijn geschonken, jaarlijks
aangesproken moeten worden. Het is dan logisch dat
deze reserves minder worden. Tegelijkertijd komen er
ook weer nieuwe reserves door schenkingen aan de Kerk.
Wij zijn daarin een betrouwbare partner. Daarnaast moet
de Kerk beschikken over een risicovermogen dat circa 40
á 60 pct. bedraagt van een jaarlijkse salarispost. De
salarispost bedraagt op jaarbasis zo’n € 20 miljoen, zo
besloot de heer Feenstra.
De voorzitter van de afdeling Zeeland zag terug op een
zeer leerzame avond, waarbij de heer Feenstra op
heldere en duidelijke wijze het beleid van de Kerk en de
daarbij behorende financiën uiteen heeft gezet.