Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer in de PKN (VKB)
Kerk C
Kerk B
Kerk ABCD
Login


Wachtwoord vergeten
Auto inloggen
Fiscale regels voor ‘alg...
Fiscale regels voor ‘algemeen nut beogende Instellingen’ gelden ook voor de kerken
Geschreven door W. van Vliet   Datum: 15-4-2007
Fiscale regels voor ‘algemeen nut beogende Instellingen’ gelden ook voor de kerken


Het besluit heeft tot gevolg dat een gift aan een kerk, gemeente of diaconie vanaf 1 januari 2008 alleen aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting, indien de inspecteur deze instelling formeel heeft geregistreerd (‘gerangschikt’) als algemeen nut beogende instelling. Verder geldt de vrijstelling van schenkingsrecht en successierecht vanaf die datum alleen voor de gerangschikte instellingen. Als de instelling niet is gerangschikt, geldt alleen de algemene vrijstelling van schenkingsrecht voor giften tot een bedrag van € 2.648,-- per gever (een persoon, echtpaar of samenwonend stel per kalenderjaar). 1 Een echtpaar wordt als één persoon gezien. Deze samentellingsregeling kan ook gelden voor ongehuwd samenwonenden.

Erfenissen en legaten zijn dan belast met successierecht indien en voor zover deze de € 1.913,-- overstijgt. Voor aanwijzing door de inspecteur gelden allerlei voorwaarden die in het nieuwe besluit zijn opgesomd. In dit artikel ga ik nader in op deze voorwaarden en op de aanwijzing (rangschikking) als algemeen nut beogende instelling. Daarvoor zal ik echter eerst de achtergrond van het besluit toelichten.
Achtergrond van de nieuwe regels
Tot en met 2005 waren schenkingen aan algemeen nut beogende instellingen belast met 11 en later 8 pct. schenkingsrecht, voor zover zij boven de toen geldende drempels kwamen. Op 10 oktober 2005 heeft Johan Cruijff echter in een column zijn ongenoegen geuit over deze belasting. De Johan Cruijff Foundation moest immers 8 pct. schenkingsrecht ontvangen over de door haar afgedragen giften, terwijl de Foundation volgens hem feitelijk de stedelijke (integratie) problematiek van de overheid aan het oplossen was. En naderhand, in november, werd ‘ineens’ een wetsvoorstel (in de vorm van een aanpassing van het belastingplan 2006) gedaan om het schenkingsrecht van 8 pct. voor goede doelen af te schaffen. Het wetsvoorstel werd zonder morren door het parlement aangenomen en vanaf 1 januari 2006 konden alle schenkingen aan goede doelen in beginsel belastingvrij plaatsvinden. Wel werd een aantal ‘flankerende’ maatregelen ingevoerd, die met name zouden zien op de controlemogelijkheden van de fiscus.

Als gevolg van deze maatregelen heeft de inspecteur de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij de rangschikking en kan de minister tevens regels hanteren met betrekking tot de rangschikking als goede doeleninstelling over de vraag welke voorwaarden aan goede doeleninstellingen gesteld zouden worden. Er is slechts volstaan met een verwijzing naar een eerder rapport (van de ‘werkgroep Moltmaker’) waarin is geadviseerd om tot verplichte rangschikking te komen.
Rangschikking ook voor kerken verplicht
De belangrijkste wettelijke ‘flankerende’ maatregel betreft de verplichte rangschikking als algemeen nut beogende instelling. Deze maatregel is uitgesteld om de betrokken instanties en de Belastingdienst enige tijd te gunnen. Inmiddels is aangekondigd dat deze maatregel in beginsel zal ingaan op 1 januari 2008.

De verplichte rangschikking houdt in dat een instelling slechts de status als algemeen nut beogende instelling kan krijgen, indien zij door de inspecteur als zodanig is geregistreerd (‘gerangschikt’). Dit betekent dat gemeenteleden hun giften aan de kerk, gemeente of diaconie pas in aftrek kunnen brengen, indien deze instelling is gerangschikt. Ook kunnen deze instellingen alleen indien zij een rangschikking hebben in aanmerking komen voor de algemene vrijstelling van schenkings- en successierecht die voor algemeen nut beogende instellingen geldt.

Een instelling — en dus ook een gemeente — die niet als algemeen nut beogend wordt gerangschikt, zal over door haar ontvangen giften die hoger zijn dan € 2.648,-- 41 tot maximaal 68 pct. schenkingsrecht verschuldigd worden. Voor giften die dóór niet gerangschikte instellingen worden verstrekt, zal dit ook gaan gelden. De rangschikking als algemeen nut beogende instelling gebeurt op verzoek. Iedere algemeen nut beogende instelling moet daarom bij de inspecteur (van de Belastingdienst in ’s-Hertogenbosch) een verzoek indienen om ook daadwerkelijk gerangschikt te worden als algemeen nut beogende instelling. De inspecteur moet op dit verzoek beslissen door middel van een zogenoemde beschikking, eventueel onder door hem te stellen voorwaarden.

Wat deze voorwaarden kunnen inhouden, is onduidelijk. Als de inspecteur negatief beslist op dit verzoek of voorwaarden stelt waarmee de instelling het niet eens is, kan bezwaar worden gemaakt bij de inspecteur. Eventueel is daarna ook beroep bij de rechter tegen de beslissing van de inspecteur mogelijk. De inspecteur kan een eenmaal afgegeven rangschikking als algemeen nut beogende instelling (achteraf) weer intrekken door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking, met ingang van het moment waarop de instelling niet meer algemeen nut beogend is.

De inspecteur kan ook een categorie instellingen dan wel een groep met elkaar verbonden instellingen in één keer, via één beschikking, rangschikken. In de parlementaire behandeling is expliciet aangegeven dat deze ‘collectieve regeling’ onder meer is opgenomen om te voorkomen dat bijvoorbeeld aan kerken onnodig administratieve lasten worden opgelegd. Hier kom ik later nog op terug.

De wet bepaalt verder dat voor de toepassing van de regels over de (intrekking van de) rangschikking van instellingen als algemeen nut beogende instelling bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld. Uit de parlementaire toelichting valt op te maken dat deze nadere regels worden gesteld met als doel de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst op een adequate wijze vorm te geven.
Nadere voorwaarden
Het besluit dat in februari 2007 is gepubliceerd, geeft invulling aan deze nadere regels. Er zijn in dit besluit een heel aantal voorwaarden opgenomen. Algemeen nut beogende instellingen (waaronder ook kerken) zullen in beginsel aan deze voorwaarden moeten voldoen, om ook daadwerkelijk gerangschikt te kunnen worden als algemeen nut beogende instelling. De voorwaarden zijn enigszins samengevat de volgende:
a. uit de regelgeving van de instelling (zoals voor kerken en gemeente de kerkorde en de plaatselijke regeling) en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling geen winstoogmerk heeft;
b. uit de regelgeving van de instelling (zoals de kerkorde) en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling het algemeen belang dient;
c. het moet vaststaan dat er niemand anders dan de instelling zelf is die over het vermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen was;
d. de instelling mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor de continuïteit;
e. de leden van het beleidsbepalende orgaan mogen terzake van de door hen verrichte werkzaamheden slechts een onkostenvergoeding en een niet bovenmatig vacatiegeld (vergoeding voor aanwezigheid) ontvangen;
f. de instelling beschikt over een actueel beleidsplan, dat inzicht geeft in de (toekomstige) werkzaamheden van de instelling, de wijze van werving van gelden, het beheer van het vermogen van de instelling en de besteding daarvan;
g. de kosten van werving van gelden en de beheerkosten van de instelling moeten in een redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de instelling;
h. uit de regelgeving van de instelling moet blijken dat bij opheffing van de instelling een positief liquidatiesaldo aan een andere gerangschikte instelling moet worden geschonken, of besteed wordt ten behoeve van het algemeen belang;
i. de administratie van de instelling moet zo worden ingericht dat op een juiste wijze kan worden gecontroleerd of aan de voorwaarden is voldaan. Ook moet de administratie duidelijkheid geven over de aard en omvang van zowel de inkomsten als het vermogen van de instelling.

De Minister geeft in de toelichting op de voorwaarden aan dat de toepassing van de regels vaak maatwerk zal zijn, omdat deze voor verschillende soorten instellingen (onder meer kerkelijke instellingen) zal gelden. Wel zal bij de toepassing van de regeling gewaarborgd moeten worden dat de door de instelling bijeengebrachte middelen daadwerkelijk en controleerbaar ten behoeve van de ‘algemeen nuttige’ doelstelling van de instelling wordt ingezet. Hieruit lijkt naar voren te komen, dat de Minister wil dat de maatregel in beginsel relatief soepel zal worden toegepast.
Groepsbeschikking
Wat betekenen deze regels nu voor kerken? Voordat ik hier nader op inga, is het van belang te melden dat het Interkerkelijke Contact in Overheidszaken (CIO) nog nader zal overleggen met de Belastingdienst over deze voorwaarden, om eventuele onduidelijkheden zo snel mogelijk weg te nemen.

Op grond van de regels moeten een kerkgenootschap en al zijn lokale gemeenten (en andere zelfstandige onderdelen, zoals diaconieën, classes en ook bijvoorbeeld kerkelijke stichtingen die giften en legaten ontvangen) in beginsel een verzoek indienen bij de Belastingdienst in ’s-Hertogenbosch om gerangschikt te worden als algemeen nut beogende instelling. Tevens moeten zij aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoen. Zoals al eerder opgemerkt kan de inspecteur echter een categorie instellingen door middel van één beschikking aanmerken als algemeen nut beogende instellingen.
Dit betekent mijns inziens (en de parlementaire toelichting van het Belastingplan 2005 wijst hier impliciet ook op) dat de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) voor al haar zelfstandige onderdelen en voor zichzelf één verzoek kan indienen. De inspecteur zal vervolgens een (groeps)beschikking afgeven die geldt voor de PKN en haar zelfstandige onderdelen. Deze beschikking kan vervolgens aan de PKN worden verzonden. De PKN zal in het verzoek wel voldoende gegevens moeten overleggen op basis waarvan de inspecteur alle tot die groep behorende instellingen afdoende kan identificeren. Mogelijk is dit nog een hele klus.

Bovendien blijkt uit de toelichting op het besluit dat alle afzonderlijke instellingen (dus in dit geval alle kerkelijke gemeenten) ook zelf aan de voorwaarden moeten voldoen. Anders loopt die lokale gemeente het risico dat de groepsrangschikking niet voor haar geldt. Hoe de Belastingdienst in ’s-Hertogenbosch alle afzonderlijke instellingen wil gaan controleren, blijft helaas onduidelijk. Moet een kerkgenootschap bij het indienen van het gezamenlijke verzoek alle afzonderlijke gemeenten gaan toetsen aan de voorwaarden? En zal de inspecteur dit dan allemaal afzonderlijk gaan beoordelen of gebeurt dit steekproefsgewijs? Enerzijds lijkt het besluit uit te gaan van een afzonderlijke beoordeling; de vraag is wat dan de toegevoegde waarde is van de groepsbeschikking.

Een afzonderlijke beoordeling is naar mijn mening strijdig met de opmerkingen in de parlementaire toelichting over de beperking van administratieve lasten, juist voor kerken; die opmerkingen lijken er immers weer op te wijzen dat het niet de bedoeling is dat elke gemeente afzonderlijk zal worden getoetst. De staatssecretaris van Financiën zal hier naar mijn mening op korte termijn duidelijkheid over moeten bieden.
Toelichting op de voorwaarden
Welke van de hier eerder genoemde voorwaarden zijn van belang voor gemeenten (en andere kerkelijke instellingen)? In beginsel gelden ze allemaal. Ik licht er een aantal uit. De gemeente mag geen winstoogmerk hebben (voorwaarde a). Het valt in ieder geval aan te bevelen dit in de kerkorde en het plaatselijk reglement van iedere gemeente op te nemen, ook al vloeit het uit de aard van een kerk of kerkelijke gemeente voort dat deze geen winstoogmerk heeft. In de toelichting van de minister wordt aangegeven dat incidentele overschotten die voor het algemeen nut zijn bestemd niet direct tot een winstoogmerk leiden. Maar betekent dit nu dat een gemeente die een tiental jaren lang een overschot behaalt, niet wordt gerangschikt?
Op het eerste gezicht lijkt dit wel zo te zijn, voor zover niet kan worden beargumenteerd dat deze vermogensopbouw nodig is voor de continuïteit van de gemeente. Toch gaat dit naar mijn mening wel erg ver, omdat een instelling die overschotten behaalt naar mijn mening in beginsel aangemerkt moet kunnen worden als algemeen nut beogende instelling. Door deze voorwaarde is het dus van belang dat iedere gemeente haar inkomsten- en uitgavenpatroon eens goed onder de loep gaat nemen.
Voorwaarde b (het moet gaan om een algemeen nut beogende instelling) is niet nieuw. In de bestaande jurisprudentie is dit al heel vaak aan de orde gekomen (op ‘kerkelijk’ terrein was er bijvoorbeeld een arrest over de Scientology Church). Het criterium is overigens niet altijd even duidelijk. Ik geef een recent voorbeeld uit de rechtspraak over een heel andersoortige instelling: beoogt een betaald voetbalorganisatie het algemeen belang (denk aan het bieden van ‘volksvermaak’)? De Hoge Raad vond dat de voetbalclub NAC uit Breda uiteindelijk niet het algemeen belang beoogde, en schoof daarmee het oordeel van een lagere rechter opzij.

Het bestedingscriterium van voorwaarde d. wordt uitgebreid omschreven. Er mag niet meer vermogen door de gemeente worden aangehouden dan redelijkerwijs noodzakelijk is voor de continuïteit van de gemeente. De gemeente moet in haar financiële administratie het doel van het vermogen, en de omvang van dat vermogen nader motiveren. Vanzelfsprekend is het toegestaan om een kerkgebouw aan te houden om te gebruiken voor de eredienst. Maar wat nu als het vermogen ook uit andere bestanddelen bestaat, zoals huizen, landerijen of een (spaar)banksaldo? Voor zover het gaat om een gebouw dat gebruikt wordt voor kerkelijke doeleinden, lijkt deze voorwaarde me geen enkel probleem. Indien het gaat om woningen of andere gebouwen die worden verhuurd, is mogelijk niet aan de voorwaarde voldaan.

Naar mijn mening gaat het in ieder geval goed, indien de opbrengsten door de gemeente worden gebruikt om jaarlijkse tekorten op te vangen. Het bestedingscriterium van voorwaarde d. beoogt volgens de toelichting van de Minister van Financiën dat het oppotten van vermogen alleen mogelijk is, indien dit wordt gebruikt voor een doel dat op afzienbare tijd tot werkzaamheden aanleiding geeft. Er mag wel rekening worden gehouden met fluctuaties (zoals dalingen) in de verwachte inkomsten (het vormen van een bufferreserve).
Wat betekent dit voor een gemeente die bijvoorbeeld — afgezien van haar kerkelijke gebouwen — jaar in jaar uit een vermogen van circa € 500.000 op haar balans heeft staan? Moet zij concreet gaan motiveren waarvoor dit gebruikt wordt of nodig is? Een goed argument kan onder omstandigheden zijn dat het vermogen nodig is om de continuïteit van de gemeente en de kerkelijke activiteiten te waarborgen. Met de rente kunnen wellicht kerkelijke activiteiten worden gefinancierd. Dit argument zal echter niet altijd kunnen opgaan. In welke mate het bestedingscriterium nader gemotiveerd moet worden blijft onduidelijk.

Diverse opmerkingen in de toelichting wijzen op soepelheid in de toepassing. Maar zal dit ook altijd zo blijven? Zal de vage omschrijving van voorwaarde d in de toekomst niet tot willekeur kunnen leiden? Voorwaarde d. is volgens de Minister met name bedoeld voor instellingen die in naam het algemeen nut beogen, maar slechts geld oppotten en weinig of niets doen om hun doelstelling te realiseren. Dit soort instellingen voldoet echter al niet aan voorwaarde b. Voorwaarde d. is naar mijn mening daarom overbodig en zeer onduidelijk en kan dus beter worden geschrapt. Zolang dit echter niet gebeurt, moet aan deze voorwaarde worden voldaan. Kerken moeten dus over deze eis na gaan denken.

Ook aan de overige voorwaarden moet worden voldaan. Het is niet mogelijk om al deze voorwaarden in één artikel te behandelen. Toegezegd is in ieder geval dat het salaris van de predikant voor zijn werkzaamheden als predikant die immers mede het beleid van de gemeente bepaalt, niet een rangschikking in de weg staat (voorwaarde e.). Eveneens is toegezegd dat met één beleidsplan van een groep instellingen kan worden volstaan (voorwaarde f.). De PKN kan in beginsel dus één beleidsplan opstellen dat geldt voor alle gemeenten (en wellicht ook nog één voor de regionale kerkelijke organen en voor de diaconieën). De gemeenten kunnen dit beleidsplan eventueel aanpassen op hun eigen concrete situatie. Een beleidsplan moet actueel zijn. Dit is volgens de toelichting het geval indien het inzicht geven in de concrete doelstellingen van de instelling voor een beperkt aantal jaren. Tevens worden duidelijke vereisten aan de administratie gesteld, dus voor de colleges van kerkrentmeesters is er mogelijk nog flink wat te doen. Dit hangt echter mede af van de wijze waarop de administratie tot op heden is ingericht.
Voorwaarden niet te vergaand?
Al met al wordt een flink aantal voorwaarden gesteld. Het besluit biedt ‘open normen’ die de mogelijkheid geven om recht te doen aan de verschillende soorten algemeen nut beogende instellingen, zoals kerken. Een deel van de voorwaarden betreft niet meer dan een nadere omschrijving van het bestaande beleid. Een aantal voorwaarden houdt echter mogelijk ook een aanscherping in, al moet nog afgewacht worden op welke wijze de Belastingdienst in de praktijk met de voorwaarden zal omgaan.

Bij een mogelijke verscherping valt onder andere te denken aan voorwaarde a., maar met name aan voorwaarde d. Uit de jurisprudentie tot op heden volgt immers vooralsnog niet dat een instelling die zich duidelijk bezighoudt met het ‘algemeen nut’ niet voor de fiscale faciliteiten in aanmerking kan komen indien zij (te) veel vermogen inhoudt. Of zal voorwaarde d. inderdaad op een vrij soepele wijze worden toegepast, zodat feitelijk niet of nauwelijks sprake is van een aanscherping? Het is daarbij van belang dat in de parlementaire toelichting in 2005 is gezegd dat de voorwaarden alleen beogen de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst op een adequate wijze vorm te geven. Ook de tekst van de wet duidt hier min of meer op.

Het lijkt mij dus terecht indien de toepassing van de voorwaarden in de praktijk voor kerken niet tot noemenswaardige problemen leidt. Het enige verschil is dat er nu aan allerlei formaliteiten moet worden voldaan. Indien de voorwaarden (met name de voorwaarden a. en d.) echter toch relatief strikt worden toegepast, gaan deze mogelijk veel verder dan is toegestaan op basis van de wet. Naar mijn mening is het vanuit democratisch oogpunt beter indien de regels in een wetsvoorstel worden opgenomen (en niet in een besluit), zodat het parlement de mogelijkheid heeft de regels al dan niet goed te keuren.
Een vertegenwoordiger van het parlement heeft zich inmiddels laten horen over het besluit: het CDA-Kamerlid Kortenhorst heeft in het Nederlands Dagblad van 21 maart 2007 onder meer gezegd ‘pal te staan’ voor de status als algemeen nut beogende instelling van kerkgenootschappen.
Actie vereist?
De Protestantse Kerk in Nederland heeft aangekondigd dat plaatselijke gemeenten en regionale organen voorlopig geen actie hoeven te ondernemen om een rangschikking te krijgen. In beginsel zal worden getracht een groepsbeschikking te verkrijgen. Het is de bedoeling dat er in april 2007 een overleg plaatsvindt tussen een afvaardiging van algemeen nut beogende instellingen, waaronder het CIO en de Belastingdienst over de nadere invulling van het besluit en de voorwaarden. In dit overleg zullen de diverse opgekomen vragen over de toepassing van de nieuwe regels nader worden besproken. Hiervoor is nog wel tijd, want de daadwerkelijke verzoeken tot rangschikking volgens de nieuwe regels zullen pas vanaf de zomer kunnen gaan plaatsvinden.

Dit alles neemt niet weg dat plaatselijke gemeenten het beste zo vroeg mogelijk aandacht moeten gaan besteden aan de voorwaarden. Gezien het besluit van de minister (toen nog minister Zalm) is het aan te bevelen dat de colleges van kerkrentmeesters (en de colleges van diakenen) eens gaan nadenken over de besteding van het bestaande vermogen en eventuele overschotten. Ook de inrichting van de administratie en het beleidsplan kan — afhankelijk van de exacte afspraken die met de Belastingdienst worden gemaakt — aandacht gaan vragen.

En de gemeenteleden? Wat moeten zij doen? Voor hen is alleen van belang dat hun gift aan de gemeente (of aan een andere instelling) alleen nog aftrekbaar is, indien de gemeente of instelling gerangschikt is. Iedere gever zal dit dus voor het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting (vanaf het belastingjaar 2008) moeten gaan controleren. Dit kan in beginsel worden nagevraagd bij de instelling zelf, maar ook de Belastingdienst zal een lijst publiceren waarop alle instellingen zijn vermeld. Indien de gemeente op deze lijst staat vermeld, kan de gever erop vertrouwen dat zijn gift inderdaad aan een gerangschikte instelling is verstrekt en dus in beginsel voor aftrek in aanmerking komt.

De heer Van Vliet is fiscaal adviseur van de VKB.
Stichting Kerkelijk Geldbeheer
U heeft geen Flash player geinstalleerd. Klik hier om deze te downloaden.
Van den Heuvel orgelbouw
Kantoor der Kerkelijke Goederen
Van Ree accountants
© Copyright 2010 VKB - Webdesign: Wendrich Reclame - Realisatie: BLiS & Quercis