KERKRENTMEESTERIJ
Geschreven door Vkb Datum: 15-4-2005

In “HW Confessioneel” van 3 februari
2005 stelt ds. B.H. Weegink, predikant
van de hervormde gemeente
Katwijk aan Zee, dat de Protestantse
Kerk in Nederland één ding
niet goed geregeld heeft, want ze
laat ons maar stoethaspelen met de
naam voor het plaatselijk beheer.
Ds. Weegink: “Lange tijd hadden
we kerkvoogden en die bepaalden
de kerkvoogdij. Maar sinds de nieuwe
kerkorde zijn de voogden allemaal
kerkrentmeesters geworden.
En wat die samen vormen, daar
heeft geen mens op zitten wachten.
Ze gaan over geld en goed, maar
hun club heeft geen doelgerichte
naam.
Vergeefs zoeken we in de kerkelijke
regelgeving naar het schone woord
‘kerkvoogdij’. Dat bestaat
niet meer. ‘College van kerkrentmeesters
is het geworden’. Dat is
een mond vol en een lettergreep te
lang. Ik geef u op een briefje:
binnenkort maakt het volk daar
‘krentmeesters’ van. O zo persoonsgebonden.
Het lijkt wel of het college
een doel op zich is! Alsof het om
die meesters zelf gaat! Ze zitten
toch niet voor eigen baat?
We missen doodeenvoudig een
goede naam voor de beheersinstantie.
Die heeft eigen rechtspersoonlijkheid.
Ik zal daar mal zijn en zondags
op de preekstoel bij de tweede
collectezak gaan roepen: ‘We
houden nu de rondgang voor het
college van kerkrentmeesters’. Dan
wek je de indruk dat de pecunia in
hun eigen zak verdaagt. Mooi niet!
De goegemeente zal er ook geen
rooie cent voor willen schuiven. In
het verleden waren we ook niet zo
dwaas om voor ‘het college van
kerkvoogden’ of ‘de commissie van
beheer’ te collecteren. Er was altijd
het overstijgend belang van ‘kerkvoogdij’
of ‘kerk’. In het gemeenteblaadje
moeten we ook niet teuten
dat de vrijwillige bijdrage en wat er
verder bij elkaar wordt geschooierd
bestemd is voor ‘het college van
kerkrentmeesters’. Je zou er een
vieze smaak van krijgen.
De kerk mag wel eens gaan uitleggen
dat er verschil is tussen manager
en management. Je geeft voor
de huishouding. Wat de huiseconoom
krijgt, is niet voor hem. Het is
hem toevertrouwd, voor een heilig
doel. Dat moet hij beheren, uitzetten
en uitdelen.
Daar zijn juist die kerkrentmeesters
voor, zal iemand opmerken. Ze
staan in dienst van de baas en
geven hem rekenschap. Toch komen
de rentmeesters er in de Bijbel niet
best af. Ze zijn vlees en bloed, en
dikwijls nog onrechtvaardig ook.
Het kerkrentmeesterschap is op de
synodevergaderingen die ik me herinner
vooral een eresaluut aan de
lutheranen geweest. Die doen, als
ze het op hun heupen krijgen, nog
chiquer dan de hervormden ooit
hebben gedaan. Maar dat meesterschap
past niet echt bij het evangeliebesef.
Een christgelovig mens
wordt aangetrokken door de
Meester die dient. We staan onder
Hem.
Van mij mag er iets terugkomen uit
de dagen van Koning Willem I. Met
zijn reglementenbundel was hij
opperkerkvoogd en voedsterheer
van de hervormde schare. Het ging
ergens over. En tegen de kerkvoogdij
kon je nog aanschoppen. Nu
trap je in een lege doos.
Hoog tijd dat we uit de impasse
komen. Ik waag een schot. Het college
van kerkrentmeesters noemen
we voortaan ‘de kerkrentmeesterij’.
Dan kunnen we ook weer fatsoenlijk
met de pet rond. En zeggen we
tegen het kerkvolk: ‘vetmesten, die
boel. En zorgen ervoor dat er voldoende
krenten in de pap blijven!”,
zo besluit ds. Weegink zijn betoog
in “HW Confessioneel”.