Uit de geschiedenis van Hervormd Putten
Geschreven door R.M. Belder Datum: 15-6-2007

Op 14 september vorig jaar presenteerde de hervormde
gemeente van Putten haar eerste boek over de geschiedenis
van de kerkelijke gemeente. Het boek met de titel
“Uit de geschiedenis van hervormd Putten” start met de
geschiedenis van de christelijke kerk te Putten.
Om te weten wanneer men in Putten voor het eerst in
aanraking kwam met het christelijk geloof, moet men
terug naar ongeveer de achtste eeuw van onze jaartelling.
Bij archeologisch onderzoek tussen Putten en
Voorthuizen zijn graven gevonden uit die periode. In
deze graven werden zowel kruisjes als urnen gevonden.
Het eerste wijst op een christelijke begrafenis. Een
volgende aanwijzing van contact tussen het christelijk
geloof en het dorp Putten dateert van het jaar 855 en
een derde aanwijzing voor de aanwezigheid van het
christelijk geloof in Putten is afkomstig van ongeveer een
eeuw later. Uit deze aanwijzingen wordt afgeleid dat
Putten in de negende en tiende eeuw voor een groot
deel onder gezag was gekomen van drie kloosters die in
Duitsland waren gelegen.
Kerkgebouw
Rond 1050 wordt in Putten een stenen kerk gebouwd.
Daarvóór stond er een bedehuis van hout. Niet bekend is
of herbouw nodig was wegens verwoesting van het
houten kerkje. De herbouw gebeurt in opdracht van de
bisschop van Utrecht. Bij deze herbouw gaat tevens het
patroonsrecht, het recht om de geestelijken te benoemen,
over naar Utrecht. Hieruit mag worden afgeleid dat
de bisschop van Utrecht zijn invloed binnen de kerk van
Putten weet uit te breiden.
Van dit kerkje uit 1050 zijn nog enkele tufstenen blokken
te vinden in de toren van de Oude Kerk aan de westgevel.
Gedurende de eerste eeuwen van het bestaan van de
Puttense Kerk vinden regelmatig verwoestingen met
brandstichting plaats. Tussen 1490 en 1502 zelfs drie keer.
Kort na de Reformatie, in de zeventiende eeuw, is de
kerk wegens de groeiende bevolking uitgebreid. Zij
kreeg een even brede en hoge beuk erbij, alsmede een
portaal. In 1923 werd het schip opnieuw vergroot, nu
met twee zijbeuken die iets smaller en minder hoog zijn.
Vanaf dat jaar is de Oude Kerk een vierbeukige hallenkerk.
Eerste predikant
In 1598 wordt de eerste dominee van Putten bevestigd:
Petrus Kintzius. Hij moet voor de broeders van de classis
een proefpreek houden en daarover blijkt men zeer
tevreden te zijn. Maar hem wacht geen gemakkelijke
taak, want er wordt veel tegenwerking geboden, waarbij
pastoor Van Wees, die toen aan de parochie verbonden
was, ondanks het verbod daartoe doorging met preken
en het bezoeken van mensen. Dat leidde tot grote
spanning in Putten, want de protestanten waren er
stellig van overtuigd dat zij geen nieuwe kerk hadden
gesticht, maar de bestaande kerk hadden gezuiverd.
Daarom kon men het optreden van pastoor Van Wees
niet aanvaarden. In 1610 wordt een lijst van klachten
over hem opgesteld die vervolgens door ds. Kintzius aan
de classis wordt gegeven. Daarna is er van pastoor Van
Wees niets meer gehoord en kwam er een einde aan het
‘dubbele’ pastoraat.
Het traktement van een predikant was als volgt opgebouwd:
24 schepel rogge (Harderwijker maat); 12 schepel
boekweit; fl. 50,— van het kartier; fl. 50,— van het
Vicariefonds; fl. 10,— van de kerkmeesters; fl. 250,— van
de kelnarij; fl. 100,— van het armengilde; fl. 100,— extra
voor drie jaren. Bij elkaar had het traktement toen een
waarde van fl. 800,—.
Kerkgebouwen
Een volgend hoofdstuk van het boek bespreekt de
kerkgebouwen waarover de hervormde gemeente van
Putten beschikt. Naast uitbreidingen en restauraties van
de Oude Kerk, waaraan veel aandacht wordt besteed,
vindt er ook nieuwbouw plaats. De bouw van de Nieuwe
Kerk was een bijzondere gebeurtenis omdat de Oude
Kerk altijd het enige kerkgebouw was geweest. De
Nieuwe Kerk is ontworpen naar het voorbeeld van een
eenvoudige basiliek. De Nieuwe Kerk werd op 17 juni
1953 in gebruik genomen.
In 1965 werd de Zuiderkerk in gebruik genomen. In het
maandblad “De Kerkvoogdij” van september 1965 is
daarover het volgende vermeld: “Aan de Beulenkampersteeg
in Putten is een nieuwe kerk in gebruik genomen.
Het gebouw is gesitueerd tussen beide buurtschappen
Veenhuizerveld en Huinen op circa 4 km buiten Putten.
Het ligt geheel vrij tussen de landerijen.”
Van inkomsten uit de dode hand naar levend geld
Verder besteedt het boek aandacht aan de bestaansmiddelen
van de hervormde gemeente. De kerk en de
kerkelijke goederen kwamen in de handen van hen die
de Reformatie voorstonden. De kerkmeesters werden ook
na de reformatie altijd verkozen uit de notabelen binnen
de dorpsgemeenschap. Zo bleven de inkomsten ‘uit de
dode hand’ (dus uit de kerkelijke goederen) ook voor de
kerk van de hervorming in Putten een belangrijk middel
om te bestaan in materiële, ambtelijke, pastorale en
diaconale zin.
Maar over de jaren heen worden ook in Putten de inkomsten
uit kerkelijke goederen minder. Daarom werden kerkelijke goederen verkocht en van de opbrengst
daarvan werden rentegevende schuldbrieven gekocht.
Dat was in die tijd een vorm van beleggen met een veel
beter rendement dan de inkomsten uit de kerkelijke
goederen.
Een andere bron van inkomsten was de verhuur van
zitplaatsen. Soms was er ook sprake van verkoop van
zitplaatsen die vervolgens verhandeld werden aan
personen die soms tot een andere kerk behoorden. Maar
geleidelijk aan deed de vrijwillige bijdrage haar intrede
en de huidige situatie in de hervormde gemeente Putten
is dat de gemeente voor 95 pct. haar inkomen heeft uit
giften, collecten en vrijwillige bijdragen.
Hervormd Putten en oktober ‘44
Voorts is er een afzonderlijk hoofdstuk besteed aan de
razzia die de Duitsers in oktober 1944 in Putten hielden
als vergelding voor een aanslag van het verzet. Bij de
razzia worden 110 huizen in brand gestoken en worden
meer dan 661 mannen uit het dorp weggevoerd, van wie
de meesten in concentratiekampen zijn omgekomen.
Veel gemeenteleden werden getroffen door een groot
en onbegrijpelijk verdriet met alle vragen van dien. De
enorme nood vroeg veel van predikanten en kerkenraadsleden
in prediking, pastoraat en diaconaat.
Bovendien heeft de Oude Kerk destijds een grote rol
gespeeld. Nog altijd herinnert een gedenksteen aan de
wegvoering van de honderden mannen. Jaarlijks wordt
de razzia in de Oude Kerk op de eerste zondag van
oktober in de eredienst herdacht. Al met al heeft oktober
1944 een onuitwisbaar stempel gezet op de Puttense
gemeenschap en daarmee ook op de hervormde gemeente.
Een bijzondere inkijk in het kerkelijk leven van Putten
geeft het hoofdstuk “Uit de notulen”, waarin enkele
belangrijke besluiten van de kerkenraad uit de notulen
worden beschreven. Aan “Uit de geschiedenis van
hervormd Putten”, dat onder eindredactie van drs. G.H.
Kruijmer verscheen, werkten mee: dr. P.F. Bouter, W.
Drost, R.J. van Ganswijk, K.A. Gort, C. Houweling, R.
Jansen, E. Kous, ds. L. Kruijmer, ds. P. Posthouwer en ds.
J.C. Schuurman jr. Het boek, dat gebonden is en 200
pagina’s omvat, wordt uitgegeven door Uitgeverij
Boekencentrum B.V. te Zoetermeer (www.boekencentrum.
nl) en kost € 19,50. ISBN: 90 239 2125 9.
Dodehandsbelasting
Om de ‘dodehandsbelasting’ (belasting op inkomsten uit kerkelijke goederen) niet van toepassing te verklaren op
kerkelijke gemeenten, hebben de Vereniging van Kerkvoogdijen en de generale synode zich in de jaren dertig van de
vorige eeuw enorm ingezet. Begin 1940 besloot de regering de dodehandsbelasting in te trekken. Zes jaar lang (1934-
1939) werden de beheerders van kerkvoogdijen, diaconieën, pastorieën en beheerders van andere kerkelijke fondsen
belast met deze belasting die de Nederlandse Hervormde Kerk jaarlijks ruim fl. 150.000,— kostte.
“De synode en de Ve
reniging van Kerkvoogdijen stonden zij aan zij. Mede dankzij de inzet van de voorzitter van de VVK,
de heer J.A. Bakker, werd dit resultaat bereikt. Hiermee is dus bewezen dat iets bereikt kan worden wanneer synode en
VVK samenwerken”, aldus een publicatie in het gecombineerde nummer van januari en februari 1940 van “Het Maandblad
van de Vereniging van Kerkvoogdijen”.