Geschreven door Ds. H. Mudde Datum: 15-12-2007
Op 9 februari 2007 hield ds. H. Mudde, emeritus evangelisch-luthers predikant, lieddichter en o.m. lid van de Commissie Orgelzaken van de VKB, op een
symposium van de Stichting Landelijk Samenwerkingsverband Kerkmuziek in Amersfoort onderstaande in leiding. In verband met het grote belang, ook voor
kerkrentmeesters, besloot de redactie de lezing integraal in een tweetal afleveringen op te nemen.
Hier volgt de tweede en laatste aflevering.
Variaties op een thema van Paulo Coelho (slot)
Ik noem nog een aantal zaken en dan pak ik weer de
draad op van dat verhaal van aan mijn begin, dat van
Paulo Coelho.
Hij schreef over die pianist: “Niemand is naar het
winkelcentrum gekomen om naar hem te luisteren”.
Ja, ik weet het en dit is misschien wel het moeilijkste
punt in het hele verhaal: de omgeving van de kerkmuziek
is er niet naar. Je vraagt je af: is er inderdaad
sprake van zelfs zoiets als een klimaatsverandering, een
diepe cultuuromslag binnen het huidige Christendom,
althans binnen het West-Europese deel daarvan? Dan
zou zich zoiets aftekenen als wat ik zeer recent
verwoord zag in een Duits artikel3 over de veranderingen
in het geestelijke klimaat. Het artikel ging over de
kerk in Denemarken, maar gaat het misschien ook op
voor ons hier op.
Ik duid maar aan, puntsgewijs:
Het klassieke christelijke geloof zag God aan gene
zijde.
De nieuwe spiritualiteit ziet God als in ons binnenste
wonend.
Wij zijn zondaren, die vergeving nodig hebben.
Dat is nu: wij liepen en lopen aan het leven onze
wonden op en we hebben genezing nodig.
Vroeger deed je je plicht. Nu probeer je zelfverwezenlijking
te bereiken.
Vroeger was God Heer en Koning, nu wordt Hij je
vriend en het leven zelf.
Vroeger vooral: verkondiging van het Woord. Nu meer
en meer het mysterie in de eucharistie.
Vroeger was je erop uit om te begrijpen, te verstaan
met je verstand. Nu gaat het erom om iets te ervaren.
Voelen is een kernwoord geworden, emotie.
Vroeger draaide het in het geloof om de waarheid, nu
is het geloof voornamelijk vertrouwen.
De smalle poort van ooit is nu de uitgebreide arm van
God.
Vroeger was het doel van het leven de hemel. Nu is het
doel om op aarde te leven.
Vroeger was autoriteit een kwestie van hiërarchie; nu
gaat het om de autoriteit van de ervaring.
Vroeger tamelijk starre grenzen, exclusief denken; nu
bewegelijke grenzen, inclusief denken.
Vroeger gaf je opdrachten, bevelen, instructies, nu
probeer je anderen in staat te stellen.
Ging het vroeger om gehoorzamen, nu om verder te
helpen, meevormen aan iets.
De vraag is: is deze omslag zo definitief, dat ook de
kerkmuziek voorgoed in een ander klimaat is komen te
verkeren, is er geen terugkeer meer mogelijk? Zijn mijn eerste opmerkingen van daarstraks misschien al lang
achterhaald, getuigen ze eigenlijk alleen maar van
nostalgie?
Ik weet dat allemaal nog niet zo precies. En ik teken
aan, dat het niet de eerste keer zou zijn dat het straks
allemaal toch weer anders komt te liggen. Ik denk aan
het woord van Hendrik Berkhof: een kerk die trouwt
met de tijdgeest, is in de kortste tijd weduwe….
En misschien gaat het nog dieper. Mij is al eens opgevallen
hoe het kerklied en de kerkmuziek soms een
merkwaardig en opvallende bloeiperiode beleefden
juist in om zo te zeggen barre tijden. Paul Gerhardt, dit
jaar terecht groots herdacht in Duitsland, schreef zijn
weergaloze liederen samen met zijn cantores, eerst
Johann Crüger en na diens overlijden Ebeling, in en na
de Dertigjarige Oorlog, tijd van diepe ellende, pestepidemieën
en talloos, ook persoonlijk lijden en verdriet.
En de heropleving van de kerkmuziek in de periode van
Distler, Pepping en anderen valt in de periode van de
opkomst en de harde werkelijkheid van Hitler-Duitsland.
In elk geval zou ik het zeer de moeite waard vinden, als
we over deze vragen niet al te gauw heenstappen.
Dáár zou nu eens een bezinning over moeten worden
georganiseerd binnen de kerken en dan niet alleen
maar hijgerig als met het zoveelste plan van actie, maar
echt bezinning, theologisch, muzikaal. Daarvoor zou u
vanuit uw organisaties eens moeten aankloppen bij de
kerkelijke deuren, bij synodes en bisschoppen, of hoe al
die maatgevende gremia ook mogen heten.
Ik maak nog een paar opmerkingen, van geheel andere
aard en in een andere richting:
‘Plotseling grijpt ze mijn arm: ’Luister!’
Ik luister.
Dat zei die kenner, die getalenteerde violiste, die de
leek, die Coelho is, bij de arme neemt en zegt: ‘Luister’.
Mij dunkt, dat dit een van de diensten kan zijn van de
kerkmusicus in het nog altijd vigerende kerkelijk
functioneren: bij de arm grijpen, bij de hand nemen,
oproepen om te luisteren. Muziek bijbrengen, leren de
oren te spitsen, boven- en ondertonen verstaan.
Trouwens: als ik dat zeg: boven- en ondertonen
verstaan, dan pleit ik ook heel graag voor de onnavolgbare
mogelijkheden van het orgel, hoe traditioneel dat
nu ook lijkt te gaan worden, zodat allerwegen gesproken
wordt van een crisis. Als één instrument daarvoor
geschikt is, dan het orgel wel. De kerken doen er dan
ook goed aan die instrumenten te koesteren als grote
geschenken vanuit het verleden. Wat zullen we ooit
nog eens spijt krijgen als haren op ons hoofd van
zoveel sluitingen van kerken met fraaie akoestiek, met
prachtige orgels.
Maar terug naar die pedagogische taak van de kerkmusicus.
Als er nog maar weinig catechese gegeven zou
worden, is zoiets als een cantorijrepetitie catechese bij
uitstek. Over gemeentevorming gesproken! Met een
dieptewerking vaak voor levenslang. Niet voor niets
hebben ouder geworden koor- en cantorijleden moeite
met op tijd stoppen: ze doen het zo graag, ze weten
bewust of onbewust, dat ze een rijkdom bezitten in het
samen zingen. Na jaren weten ze nóg van die ene keer,
dat ze dat eigenlijk veel te moeilijke stuk hebben
ingestudeerd en hoe het toch is gelukt. En nog weten
ze hoe het klonk en hoe de inhoud was van die
teksten.
Het zou toch vreemd zijn, dat opeens al die muziek van
vóór ons, heel die traditie waarin u met uw werk staat
en waarin ook ik en menige collega van me hebben
kunnen ademen, opeens zomaar in één keer niet meer
zou aanspreken, dat er geen oor meer voor zou zijn,
het hart voorgoed gesloten. Dát kan er bij mij niet in.
Nog één keer Coelho, die ook schreef: ‘Hij is nog steeds
in gesprek met de engelen van Mozart. Hij heeft
evenmin gezien dat hij publiek heeft, twee personen,
van wie er een, een getalenteerd violiste, naar hem
luistert met tranen in haar ogen’.
Dat, dames en heren kerkmusici, wens ik u toe, in weerwil
van veel droef en onzeker makende ervaringen, die
innerlijke vreugde, dat in gesprek zijn met de engelen
van Mozart, met de componisten, die uw hart hebben.
Misschien mag ik na deze kleine reeks variaties op het
thema kerkmuziek aan de hand van het verhaal van
Coelho eindigen met een soort slotkoraal, met een
liedtekst, die ik ooit heb geschreven ter gelegenheid
van het jubileum van een kerkmusicus en die ik koester als een van de liefste teksten, die mij ooit als lieddichter
is geworden.
U kunt het aantreffen in de bundel, die van mijn
liederen is uitgegeven4, voorzien van een heel fraaie
melodie van diezelfde kerkmusicus Jan van Rossem,
hier tot mijn vreugde aanwezig!
Waar de lofzang wordt gezongen
tegen alle twijfel in,
daar vertoont op onze tongen
het geloof een nieuw begin
want wie zingt met hart en mond
vindt in God weer vaste grond.
Waar op wonderbare wijze
in muziek het Woord geschiedt
uit de diepte wij verrijzen
op de vleugels van het lied
om opnieuw op God gericht
op te varen tot het licht.
Waar het lied in koor gezongen
vrolijk wordt gemusiceerd
zijn wij tot de diepste bronnen
van het leven weergekeerd,
tot de eeuwige fontein
van een hemelhoog geheim.
Want gaf God zijn grootste gave
in zijn Zoon, in vlees en bloed,
Hij ‘verleend’ ons van zijn have
nog dit ander kostbaar goed,
luisterrijk en wonderschoon
het geschenk van taal en toon.
Laten wij dan musiceren
met wat ons gegeven is
aan talenten Hem ter ere
van wie ooit geschreven is:
Hij die in de hemel woont,
op muziek en lofzang troont.
Hans Mudde
Stellingen
1. Het ambt van kerkmusicus kan in de Kerk niet hoog
genoeg gewaardeerd worden. Het draagt in niet
geringe mate bij aan de vormgeving én de beleving
van het hartsgebeuren van de Kerk: de verkondiging
van het Evangelie en de bediening van de
Sacramenten.
2. De dienst van de Kerk in de wereld, zoals het
diaconaat daaraan gestalte poogt te geven, is
uitvloeisel, uitwerking en in die zin vers twee, zoals
de liefde voortkomt uit het geloof, liever gezegd:
zoals de goede werken voortkomen uit het geloof
en niet andersom.
3. De Kerk zou er goed aan doen zich te bezinnen op
wat dat is: kerkmuziek. Daaraan behoort aandacht
te worden gegeven binnen een discipline als de
Praktische Theologie, zoals daarin terecht ook al
veel aandacht wordt gegeven aan pastoraat,
vorming en toerusting.
4. De vraag dient onderzocht te worden of kerkmuziek
en religieuze muziek wel zo dicht bij elkaar
liggen als doorgaans wordt verondersteld.
5. De bijdrage van de kerkmusicus aan de opbouw van
het gemeenteleven kan vele malen groter worden
dan doorgaans het geval is; de kerkmusicus zal dan
ook in die hoedanigheid naar behoren moeten
worden gehonoreerd, niet anders dan de theologisch
tot hun taak opgeleide voorgangers: immers
in de eredienst vormen kansel en orgel, liever
gezegd: voorganger en kerkmusicus de as van het
hele gebeuren.
6. ‘De organist op zijn vaak zo bescheiden verborgen
orgelbank is geen minder belangrijke dienaar in de
eredienst dan de predikant op zijn zo gevaarlijk
zichtbare kansel’ (Regin Prenter, Deens theoloog
aan het einde van zijn tweedelige ‘Dogmatik’ uit
1960)
3 Zeitzeichen, Evangelische Kommentare zu Religion und
Gesellschaft, 8.Jahrgang Februar 2007, S. 47f.
4 Hans Mudde: Op de wijze van het lied, Boekencentrum,
Zoetermeer 2005 (nr. 103).