Hulpverlening in de kerk
Geschreven door Vkb Datum: 15-2-2008

Regelmatig bereiken het bureau van
de Vereniging vragen over de
organisatie van en de materialen
voor de hulpverlening bij een
calamiteit in de kerk. De vragen
vinden voor een niet geringe deel
hun oorsprong in de publicaties in
de pers over het door de Staatssecretaris
van Sociale Zaken, in afwachting
van de komst van een gewijzigde
Arbeidsomstandighedenwet
(ARBO), in het voorjaar van 2007,
afschaffen van een aantal bepalingen
in de ARBO wet ten aanzien van
vrijwilligersorganisaties.
Dit betreft met name het onderdeel
Bedrijfshulpverlening (BHV).
Vluchtig lezen van deze publicatie
zou de indruk kunnen wekken dat in
de kerk ARBO-zaken, w.o. de BHV
minder aandacht behoeven dan wel
achterwege kunnen blijven. Navraag
bij het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, alsmede
bestudering van de betreffende
circulaire van de staatssecretaris,
geeft een andere invulling van deze
maatregel.
Met een vrijwilligersorganisatie
wordt door de staatssecretaris
bedoeld een organisatie, die geen
betaalde krachten in dienst heeft en
waarbij de vrijwilligers niet meer
mogen ontvangen dan de wettelijke
vrijwilligersvergoeding van € 1.500,--
per jaar. Is er in de vrijwilligersorganisatie
maar één medewerk(st)er, die
in loondienst is, dan wel een hoger
bedrag, dan de wettelijke vrijwilligersvergoeding
ontvangt, dan blijft
de ARBO-wetgeving onverkort van
toepassing.
Omdat in de Protestantse Kerk in
Nederland de predikant een - qua
arbeidsverhouding - aparte positie
bekleedt, is er extra navraag gedaan
over de vraag, hoe in de bovengenoemde
situatie, de predikant
gezien moet worden. Formeel is er
geen sprake van een arbeidscontract,
maar in dit verband wordt de
predikant gelijk gesteld met een
vrijwilliger, die meer dan € 1,500,--
per jaar verdient.
Al met al blijkt de werkelijkheid t.a.v.
Arbo-zaken in de kerk anders dan
de krantenartikelen deden vermoeden.
Dus zaken als de opstelling van
een risico-inventarisatie, de regelmatige
evaluatie daarvan, alsmede de
bedrijfshulpverlening blijven ook in
de kerkelijke gebouwen van toepassing.
Een nadere uitwerking van Arbozaken
en BHV blijft in dit artikel
achterwege, omdat deze te vinden is
op de website van de VKB www.
kerkrentmeester.nl, dan wel in een
papieren versie op te vragen bij het
bureau van de VKB in Dordrecht.
Overigens valt de bedrijfshulpverlening
ook heel goed te rijmen met de
zorgplicht, die er hoort te zijn in
gebouwen waarin grotere groepen
van mensen bijeenkomen.
Een nieuw element bij bedrijfshulpverlening
en dan met name bij het
verlenen van eerste hulp is de
reanimatie. Tot voor enige tijd
bestond dit onderdeel uit de
onderdelen “mond-op-mond
beademing” en “de hartmassage”.
De ontwikkelingen op dit terrein van
hulpverlening gaan snel. Vooral als
men de ontwikkeling ziet van de
Automatische Externe Defibrillator
(AED). Hoewel formeel nog niet als
verplicht onderdeel in de EHBO
opleiding opgenomen, kan er wel
een trend worden herkend, dat dit
feit niet meer zo lang op zich zal
laten wachten. Veel opleidingsinstituten
(w.o. de EHBO-verenigingen
en het Nederlandse Rode Kruis)
geven al enige tijd cursussen voor
het bedienen van deze apparatuur.
Reeds nu is in de praktijk komen vast
te staan, dat er veel betere mogelijkheden
zijn ontstaan om mensen met plotselinge hartproblemen adequaat
te kunnen helpen. Dit alles heeft er
al toe geleid dat in een aantal
brandweerregio’s de brandweervoertuigen
zijn uitgerust met de
AED, om op deze wijze de hulpverlening,
in afwachting van de komst
van de ambulance, al vast te kunnen
starten. Ook is de AED-apparatuur al
aanwezig in grote winkels, sporthallen
en op de grotere stations van de
Nederlandse Spoorwegen.
In het Fries Dagblad stond vrij recent
een artikel met als kop “In elke kerk
een defibrillator”.
Dat dit artikel door kerkrentmeesters
goed gelezen wordt, blijkt wel
uit de vragen die bij het bureau van
de VKB in Dordrecht binnenkwamen.
Veelal komen deze vragen er
op neer, of de aanschaf van AED
apparatuur verplicht is en hoe het
niet beschikken over dergelijke
apparatuur in voorkomende gevallen
zou kunnen leiden tot een claim
van nabestaanden.
Zoals al eerder opgemerkt is het
gebruik van AED-apparatuur nog
geen formeel onderdeel van de
BHV-opleiding en zou men kunnen
stellen dat een dergelijke aanschaf
voor een kerkgebouw nog wel even
zou kunnen wachten. Informatie bij
de letseladvocatuur leert dat er nog
geen uitspraken van de rechter
bekend zijn in situaties waarbij een
instelling aansprakelijk werd gesteld,
voor het feit dat er geen AED-apparatuur
beschikbaar was.
Gelet op de steeds toenemende
aanwezigheid van AED-apparatuur
in openbare gebouwen en b.v.
warenhuizen en andere ruimten
waar vrij veel bezoekers komen, zou
men kunnen stellen waarom geen
AED apparatuur in de kerkelijke
gebouwen? Vooral wanneer een
kerkgebouw en/of de bijruimten
intensief worden gebruikt, maakt dit
de overweging van de aanschaf van
AED-apparatuur nog belangrijker.
Het verschuilen achter de opmerking
“het is nog niet verplicht voorgeschreven”
is ook maar van tijdelijke
aard, als je ziet hoe snel deze
apparatuur op dit moment in
publieke ruimtes wordt ingevoerd.
Met de aanschaf van deze apparatuur
is een behoorlijk bedrag
gemoeid, waarbij al gauw aan circa
€ 2.000,-- moet worden gedacht.
Daarboven komt nog het lesgeld
voor de bedieners van deze apparatuur.
Maar misschien zijn er wel
mensen in de kerkelijke gemeente,
die via hun werkgever al een
dergelijke cursus hebben gevolg.
Over types en technische details van
de AED ’s stel ik mij terughoudend
op. In mijn hoedanigheid van
voorzitter van het district Nieuwe
Waterweg Noord, is contact opgenomen
met de leverancier, die deze
apparatuur aan de brandweer in de
gelijknamige regio heeft geleverd,
te weten de firma Mediclass, p/a de
heer P.W. Westerveld BV, Roerdompweg
35, 3263 AJ Oud Beijerland. E-mailadres:
p.westerveld@mediclass.eu.