De kerkrentmeester in de praktijk
Geschreven door Vkb Datum: 15-6-2005

Tijdens de eerste algemene vergadering van de VKB die op 16 april 2005 in “De Reehorst” te Ede werd gehouden, stond de positie van de kerkrentmeester centraal. Dat begon met een rollenspel, dat op voortreffelijke wijze werd opgevoerd door de heren C.M. van den Boomgaard en D. Mooijaart. De strekking van hun act is hieronder afgedrukt. Vervolgens werden er drie korte, maar heldere inleidingen gehouden door achtereenvolgens de heren: M.C. van Elsacker, oud-bestuurslid van het LVCB die het Beleidsplan in de gemeente besprak; Dr. P. van den Heuvel, kerkordespecialist, die de relatie met het college van kerkrentmeesters in de kerkenraad toelichtte; en Drs. P.A. van Genderen RA, voorzitter van het Regionale College voor de Behandeling van Beheerszaken (RCBB) van Zuid-Holland, die vanuit het toezien zijn licht liet schijnen op enkele beheersaspecten van de kerkrentmeesters.
Tenslotte volgde er een forumdiscussie die in de volgende editie van “Kerkbeheer” zal worden opgenomen.
ROLLENSPEL TUSSEN VOORZITTER KERKENRAAD EN VOORZITTER COLLEGE VAN KERKRENTMEESTERS VAN DE PROTESTANTSE GEMEENTE TE GRIJSOORD
Het rollenspel wordt opgevoerd
door de heren C.M. van den
Boomgaard, voorzitter provinciale
afdeling Zeeland van de VKB, en D.
Mooijaart, voorzitter van het college
van kerkrentmeesters van de hervormde
gemeente te Haamstede.
Het volgende probleem wordt
behandeld.
Het is net voor de zomer, zo rond deze tijd, dat kerkenraad en kerkrentmeesters
van de protestantse
gemeente te Grijsoord twisten over
een door de kerkenraad met kracht
voorgestane uitbreiding van het
pastoraat, te weten de aanstelling
van een kerkelijk werker voor ouderenzorg.
Kerkrentmeesters vinden
de structurele uitgave onverantwoord.
Het is toch al moeilijk
genoeg de begroting sluitend te
krijgen.
Motieven:
a. er wordt geld gebruikt dat gereserveerd
was voor groot onderhoud
van het kerkgebouw;
b. de kerkenraad geeft helemaal
niet aan waarom dit werk niet
door de predikant, die toch tijd
genoeg heeft, kan worden
gedaan;
c. en wanneer de kerkenraad dat
zo belangrijk vindt, dan moet de
diaconie die kerkelijk werker
maar betalen, want ouderenzorg
is een diaconale taak. Bovendien
is de diaconie rijk genoeg en zij
kan dat best betalen.
Maar de kerkenraad, die zich van
alle argumenten van de kerkrentmeesters
niets aantrekt, beslist in
zijn wijsheid anders.
De kerkrentmeesters storen zich niet
aan deze uitspraak en gaan na de
zomervakantie, zo in september,
hun voorbereidingen treffen voor
de begroting van het nieuwe jaar.
Zij doen dat op basis van het
beleidsplan van 3 jaar geleden, toen
de aanstelling van een kerkelijk werker
niet aan de orde was.
De begrotingsprocedure wordt in
gang gezet. Het college van kerkrentmeesters
dient de begroting bij
de kerkenraad in. De kerkenraad wil
een wijziging aanbrengen. Daarover
ontstaat géén overeenstemming
met het college van kerkrentmeesters.
De kerkenraad vraagt bemiddeling van het Regionale
College voor de Behandeling van
Beheerszaken (RCBB).
Na deze bemiddeling neemt de kerkenraad
een definitief besluit,
namelijk het vaststellen van een
begroting waarin de lasten van de
kerkelijk werker zijn opgenomen.
Het college van kerkrentmeesters
tekent bezwaar aan tegen dat
besluit bij het RCBB. Het RCBB
neemt een beslissing, dat in het
voordeel van de kerkrentmeesters
uitvalt, zo blijkt uit de hiernaast
afgedrukte brief.
“Op grond van ordinantie 11
artikel 22 lid 4 doen wij op uw
verzoek een uitspraak over de
kwestie van het al of niet aanstellen
van een kerkelijk werker
voor ouderenzorg in uw
gemeente. Gehoord de overwegingen
van uw kerkenraad en
het college van kerkrentmeesters,
spreken wij uit dat de
financiële positie van uw
gemeente zodanig is dat de
aanstelling niet wordt toegestaan.
Wij onderschrijven dus
het standpunt van het college
van kerkrentmeesters.
Wij merken daarbij nog het volgende
ter toelichting op.......”