Bottom-up kerk. Zijn waar twintigers zijn – Tabitha van Krimpen

Tabitha van Krimpen (25 jaar) was actief als Jonge Theoloog des Vaderlands. Van Krimpen is opgeleid als theoloog en bedrijfskundige, een redelijk zeldzame combinatie. Juist vanuit deze combinatie hebben we als redactie haar gevraagd, om samen met Alain Verheij, om en om een gastcolumn in Kerkbeheer te schrijven.  Op die manier hopen we dat zij ons weet te inspireren om met een frisse blik naar kerk, geloof en organisatie te kijken.

Voor wie meer inspiratie wil dan alleen een column in Kerkbeheer, is er nu veel meer. Van Krimpen presenteerde op 1 juni haar boek: ‘Bottom-up kerk: zijn waar twintigers zijn’. En zeker voor bestuurders in de kerk, dus ook kerkrentmeesters, het lezen waard. We namen als VKB Kerkrentmeesters de proef op de som en lichten alvast wat waardevolle aspecten uit haar nieuwe boek uit. 

Tekst Joost Schelling Beeld Dwaalzin Fotografie

Bottom-up kerk zijn

Het eerste dat opvalt bij het lezen van dit boek, is de bevlogenheid en liefde voor de kerk. Dat gaat aan alles vooraf en is ook goed om ook hier eerst te zeggen, omdat ze in haar boek zich ook zeer kritisch over diezelfde kerk uitlaat. En dan vooral waar het om (haar) besturen gaat.  

Het boek kent een opbouw, waarin ze allereerst haar kaarten op tafel legt. In haar jaar als Jonge Theoloog des Vaderlands heeft ze ontdekt op een bottom-up manier naar kerk en theologie te kijken. En bij de theologie begint ze ook. Bottom-up theologie kenmerkt zich door de gedachte dat iedereen, elk lid, kan bijdragen, waarbij ze gebruik maakt van het beeld van de geloofsgemeenschap als lichaam  (1 Korinthe 12). Vanuit dit beeld komt het vervolgens aan op waarden als luisteren naar iedereen, dienstbaarheid en het delen van macht, in het bijzonder door dit zo laag mogelijk ‘in de organisatie te leggen’, kortom: niet top-down, maar bottom-up te denken. Daarin ziet Van Krimpen in de Heer van de kerk, Jezus Christus, het grote voorbeeld van bottom-up geloven. 

Vervolgens voegt ze de daad meteen bij het woord en gaat in het volgende hoofdstuk de stemmen van twintigers ophalen, binnen en buiten de kerk. Welke geluiden zijn goed om hier te laten klinken?   

In de relatie twintigers en de kerk worden volgende belangrijke waarden benoemd, namelijk 1) deel uit maken van een gemeenschap (community), 2) kwetsbaarheid tonen (niet alleen in de preek), 3) authentiek als kerk zijn, 4) de rol van de voorganger als een religieus expert, 5) de preek als plek waar naar thema’s van twintigers geluisterd wordt (eenzaamheid, rust, relaties) en 6) geen kerk als instituut. Kortom: twintigers willen gehoord en gezien worden (wie niet?) en denken primair post-institutioneel. Vanuit deze constatering en de bottom-up theologie komt ze uit op de vraag in hoeverre de kerk ruimte laat aan de mensen met een minder dominante stem? Leuke knipoog maakt Van Krimpen hier door het beeld van de zeven vinkjes van Joris Luyendijk (p. 105 e.v.) te vertalen naar de ‘machtsvraag’ in de kerk: Wie mogen in de kerk meepraten? Ze komt tot deze zeven kerkelijke vinkjes. Je mag meepraten als je… 

  1. Onbeperkte beschikbaarheid bent 
  2. Senioriteit bezit 
  3. Netwerk hebt 
  4. Voldoende assertiviteit beschikt 
  5. Belijdend lid /ambtsdrager bent 
  6. Hoogopgeleid bent 
  7. ‘Onze’ kerkcultuur kent

Hiermee doet Van Krimpen een rake typering over wie in de kerk de meeste macht bezit. En het getrapte systeem van ambtsdrager in de kerkenraad en classis om naar de synode afgevaardigd te worden maakt het voor jonge mensen niet eenvoudig. Het korte interview met het synodelid en predikant Robert Stigter is daarin illustratief. En haar oproep aan de landelijke kerk: denk niet top-down, maar bottom-up. In de presentatie van haar boek klonk op 1 juni geregeld het geluid: juist bottom-up past goed bij ons presbyteriaal-synodale kerkmodel, dat ook zo in de kern is opgebouwd: vanuit de lokale ambten met ambtelijke vergaderingen met eigen mandaten. Toch is de ervaring vandaag de dag anders, en niet alleen bij Van Krimpen. 

Kerk(structuur) in verandering

Na een korte bespreking over het functioneren van de lokale en landelijke Protestantse Kerk komt in mijn ogen haar meest verfrissende bijdrage, namelijk het betrekken van inzichten vanuit bedrijfs- en veranderkunde op de kerk van vandaag en morgen. Hier en daar zijn de contouren nog niet scherp gesteld, en ze geeft ook geregeld aan, dat ze het ook nog niet allemaal kan overzien, maar de richting is helder. Transformatie in de kerk is hard nodig (p. 116). Elke verandering, klein of groot, begint bij één iemand die een idee en een visie heeft het anders te gaan doen. Van Krimpen: “ik wil de grenzen van ons denken over kerk/zijn opzoeken. De grenzen wat wel en niet mogelijk is. […] Ik heb een diep verlangen om de kerk weer in haar kern te herontdekken (p. 119-120).  

En zoals gezegd, hoewel ze ambitieus is en om concrete acties vraagt, gaat ze niet aan de pijn en het verdriet wat er ook in de kerk zit voorbij. Krimp en soms kramp zorgen ook voor rouw. En dat hoort ook bij een fase van verandering. Met Jan Rotmans, veranderkundige aan wie ze veel van haar inzichten ontleend, stelt ze: Chaos is de tussentijd de tijd tussen het is en het zal (p. 125). De geestelijke vraag is of en hoe we het kunnen uithouden in deze tussentijd van chaos? Op dit punt scherpt Van Krimpen het nog wat verder aan: krampachtigheid en vasthouden aan het oude kan ook worden gezien als ongeloof. Hebben wij nog wel vertrouwen in de toekomst? (p. 126). Transitiedenken en onderkennen van de eigen situatie zijn nodig als basis voor de benodigde systeemverandering (p. 127), en dus is er meer bottom-up kerk nodig, ook bestuurlijk. De bottom-up kerk faciliteert wat gelovigen belangrijk vinden, en niet het systeem staat centraal, maar de gelovigen vormen het uitgangspunt. Leren, flexibiliteit en experimenteren centraal, niet de structuur. De structuur van bottom-up kerk moet het mogelijk maken om dicht bij mensen te staan, daarvoor is een wendbare structuur nodig. Hoe kan de kerk wendbaar zijn? 

  1. Eenvoudige organisatie
  2. Mensen daadwerkelijk begrijpen
  3. Samenwerking in multidisciplinaire teams
  4. Lerende cultuur en durft te experimenteren
  5. Basis van vertrouwen 
  6. Flexibel genoeg opereren.

Deze manier van kerk zijn staat haaks op haar kerkervaring van nu, die zich vooral kenmerkt in regulatie, vastgestelde processen, kerkorde en veel bureaucratie. Scherp wordt Van Krimpen als ze spreekt over bureaucratie. Ook de kerk is een plek met veel bureaucratie, vervat in plannen, werkgroepen en kerkorde. In haar optiek veelal gestoeld op wantrouwen. Een wendbare bureaucratie is volgens haar dan ook een contradictio in terminis, die twee gaan niet logischerwijs samen.  

Hoe kun je lokaal al werken aan het worden van een bottom-up kerk?

In de laatste hoofdstukken komt Van Krimpen toe aan de daadwerkelijke praktijk. Ze deelt naast praktijkvoorbeelden (dat had best nog wel wat ruimer en diverser gekund, dus wellicht iets voor een column of een nieuw boek), ook inzichten van de Nijmeegse bedrijfskundige Ulbo de Stitter. Deze inzichten kunnen helpen bij meer bottom-up kerk zijn en zijn ook goed lokaal toepasbaar om het ‘hiërarchisch harkje’ te doen kantelen. 

  1. Scheiding van regelende en uitvoerende activiteiten —> minder sturing bovenaf zorgt voor meer ruimte voor inbreng en creativiteit.  
  2. Splitsing in deeltallen —> waar zet je de knip in taken en verantwoordelijkheden? Voorbeeld: theologiseren met kinderen: Vindt dit theologiseren pas plaats in aanwezigheid van een predikant of kan de leiding van de kindernevendienst dit ook zelf invullen? 
  3. Splitsing van regeling over procesdelen: hoe richt je de organisatie in? Pastoraat of kerkbeheer op postcode ingedeeld? Of juist meer thematische aansturing? 
  4. Splitsing van regeling per aspect: hoe meer je een aspect opknipt, des te meer overleg is er nodig om zaken af te stemmen.  
  5. Splitsing naar stappen in de regelkring: Hoe moeten we een nieuwe aanpak laten aansluiten op de bestaande (bureaucratische) aanpak? Hier beschreef Van Krimpen het voorstel van Protestantse gemeente Amersfoort-Noord rond abonnementen in plaats van de Actie Kerkbalans, zeker meer aansluitend bij een nieuwe doelgroep Twintigers. In Kerkbeheer van april 2023 besteden we ook aandacht aan deze ontwikkeling.

Goed dat Van Krimpen juist dit bedrijfskundige hoofdstuk afsluit met een theologische paragraaf.  

Bottom up past goed bij een theologie waarin er ruimte is voor de werking van de Geest zodat creativiteit kan waaien en talenten worden ingezet (p. 149).  

Kritisch maar ook open

Van Krimpen concludeert aan het eind nogmaals dat het ook gaat om het herverdelen van de macht: een bottom-up kerk legt deze macht zo laag als mogelijk is (p. 150). Hier en daar komt Van Krimpen wel erg kritisch en soms met wat boude uitspraken op de kerkbesturen over, dus hier en daar strijkt ze zeker tegen de haren in. Maar haar drive en liefde voor de kerk maakt veel goed, en tegelijk zorgt ze met deze toon ook voor dat geluiden van leeftijdsgenoten en meer mensen buiten de kaders van de kerkelijke burelen zo doorklinken en niet meteen vooraf worden genuanceerd. En juist door deze toon mag de vraag ook klinken: als kerkbestuurder vinden dat ze ongelijk heeft, dan schept het ook de verplichting dit maar te laten zien.  

Mooi dat aan het eind van haar boek Van Krimpen ook actief om ideeën en input vraagt, het tekent haar open en creatieve geest die buiten de bestaande kader kan en wil denken. Ook dat is de toon van haar boek: een jonge frisse blik die juist door de combinatie van bedrijfskunde en theologie de kerk in deze fase van transitie stevig aan het denken zet! Dank je wel, Tabitha, voor jouw aanzet om zo het geluid van jouw generatie luid te laten klinken! 

 

‘Bottom-up kerk: zijn waar twintigers zijn’, Uitgeverij KokBoekencentrum, 192 blz., €20. www.bottomupkerk.nl